vrijdag 18 augustus 2017



Nicolas Jenson
Het genie dat onze huidige letter creëerde

Naar mijn gevoel wordt er veel meer getypt dan vroeger. Misschien heet het beroeren van een smartphone met een of twee vingers (of duimen) niet eens meer typen. Maar er worden constant afbeeldinkjes van het latijnse alfabet aangeraakt, en daar doel ik hier op. Voordat e-mail bestond belde je meestal; slechts af en toe schreef je iemand een brief. En áls je dan een brief schreef, was dat in de meeste gevallen nog met de hand, althans ik deed dat zo. Het gebruikmaken van lettermateriaal dat door anderen is aangeleverd, zoals in typemachine, tekstverwerker en zetprogramma, was toen helemaal niet vanzelfsprekend, en nu wel – op computers en smartphones wordt volledig geput uit bestaand lettermateriaal.

De vorm van deze letters is ooit door een paar mensen vastgelegd. De meeste mensen kennen wel de naam Gutenberg, als ‘degene die de boekdrukkunst heeft uitgevonden, zo rond 1450 in Mainz’. Gutenbergs uitvinding is geniaal. Hierdoor werd het voor het eerst mogelijk een veelvoud te vervaardigen van werkelijk identieke exemplaren. Marshall McLuhan illustreerde dit vijftig jaar geleden op een prachtige manier, met uitspraken als
“Printing, a ditto device
Printing, a ditto device
Printing, a ditto device, etc. (...)
      It provided the first uniformly repeatable ‘commodity’, the first assembly line – mass production.”
            En: “As we begin, so shall we go”.[1]


Toch heeft Gutenberg met de huidige typografie eigenlijk al niet echt meer te maken, omdat zijn tijdperk voorbij is – in ongeveer 1975 kwam er een einde aan het zetten met loden letters. Bovendien is de vorm van de letters van Gutenberg, de ‘textura’ (een van de vormen van het gotische schrift), allang niet meer in gebruik.
          

De letter die wij nu gebruiken wordt ‘romein’ genoemd.[2] En de vorm van deze romein-letter is zo’n vijftien jaar na Gutenbergs uitvinding gecreëerd, op grond van bestaande geschreven vormen, namelijk het humanistische schrift. Hierbij twee voorbeelden:

  















Dit schrift was een interpretatie van de laat-Karolingische minuskel door humanistische kopiisten. Die zagen deze schrijfletter aan voor een schrift uit het oude Rome. De hoofdletters (of kapitalen) waren inderdaad afgeleid van keizerlijke Romeinse inscripties, maar de kleine letters (minuskels, later ‘onderkast’ genoemd) waren pas aan het eind van de achtste eeuw in West-Europa ontwikkeld. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw, na een eeuwenlange onderbreking waarin gotische lettersoorten gangbaar waren, werd dit karolingische/humanistische schrift steeds verder verfijnd, waarbij de letters op zich steeds meer afzonderlijke vormen werden. De schreven van de letters werden steeds kleiner, behoedzaam gevormd om ze meer in overeenstemming te brengen met de schreven van de oorspronkelijk in steen uitgehakte kapitalen.


De eerste lettersnijders die een romein maakten, in 1465, waren de Duitsers Konrad Sweynheim en Arnold Pannartz, die in Subiaco, zo’n 70 km van Rome, de drukkunst in Italië geïntroduceerd hadden. Zie hierbij hun eerste boek, De oratore van Cicero, het eerste boek dat gedrukt was in Italië:


Hun letter had nog wel een zekere verwantschap met de gotische types, dat wil zeggen dat ze nu niet echt als ‘een gewone letter’ zouden worden herkend. Dat veranderde toen in 1468 de broers Johann en Wendelin von Speyer (oftewel Da Spira, zoals ze in Italië werden genoemd) in Venetië neerstreken. Zij vervaardigden in 1469 een romein die wij nu wel al min of meer als een gewone letter zouden ervaren. Zie hierbij een detail uit hun eerste boek, eveneens van Cicero, Epistolae ad familiares:


Maar het was toch de Fransman Nicolas Jenson (ca. 1420-1480) die, eveneens in Venetië, in 1470 een letter creëerde die werkelijk ‘onze huidige letter’ is: in de basis identiek aan een gebruikelijke schreefletter van de eenentwintigste eeuw (volgens verschillende onderzoekers was Jenson overigens ook verantwoordelijk voor de letter van Johannes da Spira uit 1469). [3



Ik vind de pagina’s met Jenson-letters prachtig. Toch is dit uiteindelijk niet het punt. Er zijn schrijvers die zeggen “Jenson behoort tot de allerbeste letterontwerpers.” Ook dat is niet het punt – het betreft hier geen vergelijking tussen een willekeurig stel ontwerpers. Het gaat erom dat Jenson de letter heeft vastgelegd. Zijn letter werd de norm voor alle letters na hem. Ook al zijn er veel pogingen gedaan om eens iets heel anders te maken, steeds bleef Jensons letter de norm. Alle letters kunnen geijkt worden aan de zijne.

Een precisie en een versheid straalt je tegemoet, ook weer in deze afbeeldingen: beide uit Jensons eerste boek uit 1470, De Evangelica Praeparatione van Eusebius (de tweede afbeelding is van dezelfde pagina als bovenin het artikel).
            Met de letter in dit boek is onze letter begonnen.
            In mijn ogen is dit boek een van de meest waarachtige monumenten van wat ‘renaissance’ genoemd wordt. Met de grote humanistische schrijfmeesters was de renaissance natuurlijk al decennialang gaande, maar nu deze humanistische letter in los letterzetsel vervaardigd kon worden, met andere woorden dat er nu met de nieuwe technologische vaardigheid een samenspel ontstond – ja, dat noem ik een hoogtepunt van de renaissance. Het grootse hiervan was dat nieuwe humanistische ideeën (wat je op een bepaalde manier ‘de bron van de Westerse Verlichting’ kunt noemen) in alle richtingen verspreid konden worden.




De eerste afbeelding is opnieuw uit de Eusebius, en de andere zijn paginas uit twee latere boeken van Jenson, respectievelijk uit 1471 en 1472. Het is verbazingwekkend dat Jenson niet vermeld wordt op de Wikipedia-pagina over de renaissance – terwijl ik nog wel een standbeeld voor hem had willen bepleiten!
            Je kunt inderdaad zeggen dat het Gutenberg Tijdperk voorbij is, maar het Jenson Tijdperk gaat gewoon door, hoe onopgemerkt ook. Hiermee bedoel ik dat weliswaar de computer-zettechniek het helemaal heeft overgenomen van de lood-zettechniek (die zoals gezegd door Gutenberg was aangevangen), maar dat de letter zelf, de zichtbare ‘romein’, nog steeds volop gebruikt wordt, in al ons internet en mail-verkeer. Geen wezenlijke wijziging ondergaan. Het is een groot wonder, deze creatie van ‘de echt tijdloze drukletter’ (terwijl de gotische letter van Gutenberg nu nog slechts een curiosum is). Gutenberg schiep een vergankelijk procedé, maar Jenson een blijvend voorbeeld.

LINKS:
Ik voeg hierbij links naar zowel Nederlandse als Engelse Wikipedia-pagina’s. Opvallend genoeg is dit een van de weinige keren dat ik de Nederlandse Wiki beter vind dan de Engelse. Ik kan aanraden de Nederlandse over Jenson te lezen.

https://rampages.us/nppernell/tag/incunabula/
http://ilovetypography.com/2016/04/18/the-first-roman-fonts/
http://www.lettermodel.org/wordpress/

BOEK:
Martin Lowry, Nicholas Jenson and the Rise of Venetian Publishing in Renaissance Europe. Oxford: Blackwell, 1991.

NOTEN:
1. Catalina-amfibievliegtuigen op de lopende band. Marshall McLuhan en Quentin Fiore, The Medium is the Massage. New York: Bantam, 1967; p. 45-50.
2. De aanduiding ‘latijns schrift’ voor ons alfabet betreft het geheel ervan: voornamelijk duidt dit op de romein, maar het includeert ook bijzondere vormen zoals de genoemde textura (een van de vormen van gotisch schrift) en het Ierse unciaalschrift. Buiten dit latijnse schrift is ook het griekse en het cyrillische schrift beïnvloed door het vastleggen van de romein-drukletter door Jenson. Jenson sneed zelf al in 1471 griekse letters. De eerste druk met cyrillische letters was in 1490 in Krakau, en in 1494 werd ook in Cetinje (Montenegro) een boek in cyrillisch gedrukt. Dit boek was weliswaar al beïnvloed door de ontwikkeling die gestart was in Venetië, maar de vorm van de letters was nog een unciaal, dat wil zeggen een lettersoort zonder onderscheid tussen kleine letters en hoofdletters. Pas in 1708 werd, in een Nederlandse werkplaats, de gelatiniseerde vorm van cyrillisch ontwikkeld, door toedoen van tsaar Peter de Grote.
3. Zie bijvoorbeeld John Lane in Mathieu Lommens Het boek van het gedrukte boek (Amsterdam University Press, 2012) p. 18, en Warren Chappell in zijn A Short History of the Printed Word (Dorset Press, New York, 1989) p. 68-69.

POST SCRIPTUM:
Na het voltooien van dit artikel stuitte ik op een blog van Riccardo Olocco, die een nadruk blijkt te leggen die vergelijkbaar is met de mijne. Eindelijk – voor mij voor het eerst­ – iemand die ook het werkelijk originele maatstaf-karakter van Jenson benadrukt, in plaats van het schenken van een waarderend knikje alsof Jenson ‘inderdaad mooie letters maakte’. Olocco is veel meer een kenner dan ik, dus als iemand dieper wil ingaan op details, kan ik hem aanraden verder te lezen op zijn blog:
https://articles.c-a-s-t.com/nicolas-jenson-and-the-success-of-his-roman-type-9f0afeba4103

donderdag 27 juli 2017



Over het herkennen van het belang van het universele in non-dualisme

  1    
Vanaf het begin is er de eenheid van Essentie en zijn uitdrukking.
Deze twee zijn onverbrekelijk. ‘Essentie op zich’, dat is helemaal geen reëel iets. Dat is alleen maar een verwijzing. Je kunt van Essentie spreken zodra je uitdrukking aantreft. Vandaar dat hier gezegd wordt dat ze onverbrekelijk zijn.

God die ‘op een bepaald moment tot scheppen overgaat’: dat is een conceptueel beeld in de tijd. Terwijl dit iets betreft wat juist nog geen tijd kent.
Al vanaf ‘het begin’ is er Essentie én zijn uitdrukking, tegelijkertijd. God met Adam en met Satan en met Eva en met zoon Kaïn (en eventueel ook met een zekere Lilith), en ‘daarna’ met alle anderen: steeds tegelijkertijd wat betreft de onverbrekelijke eenheid van Essentie en uitdrukking.
Uitdrukking is altijd specifiek. Dat wil zeggen dat deze altijd verschillend is van een andere uitdrukking – maar op het moment van het zien van een specifieke uitdrukking blijkt hij onverbrekelijk en gelijktijdig te zijn met zijn eigen Essentie, het constant Verschilloze, zijn ‘Schepper’.

  2
Weliswaar is Essentie natuurlijk altijd het geval, maar uitsluitend als niet-iets, dus dat kun je niet een ‘bestaan’ noemen. Je kunt er niet over spreken. Taal kan dit grootse niet aan, het ongelooflijke van dit Lege, Kennende beginsel.
 
  3
Deze manier van spreken is ontleend aan de paar waarachtige tradities die het in feite allang met elkaar eens zijn, ondanks de schijn van verschil van mening.
Ik heb zelf nauwelijks iets bedacht. Alleen maar ophelderen, verduidelijken, vertalen, interpreteren. Van Shenhui, Atmananda, Shankara, Zongmi, Tulku Urgyen, Ramana, Longchenpa, Nisargadatta – noem ze maar op. De Groten.
En in dat ophelderen zie ik dat ze het werkelijk eens zijn, ook al lijkt het wel eens alsof iets haaks staat op iets anders.

  4
Ik durf mijn conclusies te trekken. Mozes hoor ik ook roepen, en Bapak Subuh, en soms Mohammed, en ja, natuurlijk Jezus, maar ik blijf in de eerste plaats trouw aan het Eerste, en dat is:
het Conceptloze.
            Leegte, Niet-iets, Niet-weten, No-mind, Nir-guna Brahman, Dharmakaya, La ta‘ayyun, Advaya, Tathata. Allemaal termen voor Dat waar taal niet verder kan komen. De Essentie. Dat waar nog geen verschil is.

  5
Het begint namelijk nu pas.
Alles is gewoon dezelfde Totale Essentie, het Verschilloze, dat zich nu toont in deze specifieke vorm: man in tuin, schrijvend, met zon en wolken, en muziekgeluiden van ver.
Het begint nu pas.
Het specifieke (de uitdrukking) lijkt oud, lijkt ‘veroorzaakt’, ‘geschapen’, en soms lijkt het wel een vergissing. Vasana’s, samskara’s, te vertalen als ‘geneigdheden’, ‘karma’, en uiteraard ook het zogenaamde bergplaats-bewustzijn (alaya-vijnana). Tuurlijk, allemaal vergissing. Allemaal gebaseerd op niet-besef (a-jnana), dat wil zeggen het niet-herkennen (ma-rigpa) van Bewustzijn of Gewaarzijn – van Essentie. Van Dat wat nooit afwezig kán zijn.[1]

  6
Ondanks deze vergissing (in miljoenvoud), ja desondanks:
            dit blijkt nieuw te zijn. Deze huidige vorm.
Dit is nooit eerder gebeurd.
Dit hoeft niet verklaard te worden.
De huidige vorm,
            die de uitdrukking is van Essentie, het Verschilloze,
            is ook nu geheel en al onafscheidelijk ervan,
            en in de kern er niet van verschillend.
Zoals zo prachtig gezegd wordt:
“Bewustzijn (Rigpa) is in harmonie met de verschillende dingen die als fenomeen verrijzen” [dat wil zeggen: die verrijzen als zijn huidige vorm].[2]

  7
En opeens (ook al doe ik dit al jarenlang maar nu toch voor het eerst) doe ik een beroep op het
            zien  of  herkennen
            van het ongelooflijke belang van het feit dat er (ondanks alle onmin en wreedheid overal) nu al onderricht bestaat dat het 100% eens is, en zelfs in Essentie Identiek is –
ook al zijn de termen in de verschillende clubs nog traag en hardnekkig, en zijn de meeste mensen in die specifieke clubs niet zo genegen om te zien dat ook anders clubs dingen zeggen die werkelijk (dwz. niet oppervlakkig of scheurkalenderachtig) op hetzelfde neerkomen. Wonderlijk is het, en jammer.

  8
Als er onderricht bestaat dat qua termen wel verschilt maar dat werkelijk, werkelijk (ook na jarenlang checken) honderd procent identiek blijkt te zijn,
dan is er voor mij aanleiding om tot lofzang over te gaan.
           
O! God zij geprezen!
Er is werkelijk vrede!
Vrede is in zijn ware aard niet een concept!

  9
En meteen erna durf ik ‘terug’ te gaan. Ja, in de tijd. Naar Nagarjuna, zo rond de tweede eeuw na Jezus, die aangaf dat het nog helemaal niet gaat om iets nieuws te zeggen, om een ‘eigen’ standpunt in te nemen, maar uitsluitend om aan te wijzen dat geen van de standpunten op werkelijkheid gebaseerd is.
Geen enkel standpunt. Slechts leegte, het conceptloze.

  10
Ik beschouw Nagarjuna’s ontkrachting als ‘de eerste noodzaak’.
Ja, eerst de ontkrachting; eerst het conceptloze.
Maar direct daarna zeg ik dat dit alleen maar het begin is van het ware praten.
Het ware praten, zoals ik het nu even durf te noemen, heeft natuurlijk ook een vervolg.
Nagarjuna’s nadruk werd wel eens, heel terecht, ‘een louter therapeutisch hulpmiddel’ genoemd[3] – omdat hij namelijk daarna niet opeens toch weer een ‘standpunt’ innam.

  11
Het ‘ware praten’ erkent dat er herhaaldelijk vergissing en strijd is. Geen ontkenning of doofpot. Licht schijnt op de mogelijkheid van vergissing – ook eigen vergissing, uiteraard.
Maar vervolgens is wat ik het ware praten noem, volledig open om Dat te zien waar onmin alleen maar veroorzaakt blijkt te worden door termen, door codes, vooroordelen, traditionele afspraken en loyaliteiten.
Dán komt er zicht op alle geestelijke benaderingen die werkelijk hetzelfde zeggen, ondanks dat de termen en codes ogenschijnlijk zeer verschillen van elkaar. Aanduidingen als boeddhistisch en vedantisch blijken verouderd te zijn – louter bijzaken betreffend. Dus reizen we dan bijvoorbeeld van een Indiaas-vedantische tekst van Shankara met groot gemak door naar een Chinees-boeddhistische tekst die bekend is geworden als The Awakening of Faith.[4]
Dan is er niet meer zo’n wonderlijke afweer tegen ‘de oude teksten’, die je nu nog vaak tegenkomt. Dan is er bereidheid om die teksten te onderzoeken die vanuit verschillende windstreken hetzelfde blijken aan te duiden. Echt hetzelfde.
Dan is er vrijheid om het identiek-zijn uit te drukken temidden van vooringenomenheid, sektarisch denken en onvrede.

  12
De deur van vrede wordt hiermee aangewezen.
Vrede zit al vervat in de uitdrukking in de ware teksten. In de teksten die werkelijk Hetzelfde zeggen.

‘Hetzelfde’: dat kán niet iets anders zijn dan Vrede.
Vandaar mijn uitnodiging: kijk naar wat werkelijk Hetzelfde is in al die benaderingen. Dat is Vrede. Dat is het Universele, waar strijd een onmogelijkheid blijkt te zijn.
Vandaar dit pleidooi voor het herkennen van de echtheid van het reeds aanwezige universele.
Ja, het universele is de deur – of liever:
            het herkennen van het universele
            is de deur van vrede.  

  Noten
1.  Dit is een kleine hint in de richting van Dzogchen-vertaler Robert Hartzema, die in zijn vertalingen van klassieke Tibetaanse teksten met grote stelligheid ma-rigpa vertaalt als ‘de afwezigheid van rigpa’, de afwezigheid van ‘helder gewaarzijn’, met de mededeling dat rigpa ‘in zijn tegendeel kan omslaan’. Rigpa zoals dat door de grote leraren wordt gebruikt, kan nooit in zijn tegendeel omslaan [wel moet erkend worden dat de term rigpa op andere niveaus iets kan betekenen dat inderdaad in zijn tegendeel kan omslaan]. Ma-rigpa betekent slechts het niet-herkennen van het Altijd-aanwezige. Rigpa is niet ‘een kwaliteit van waarnemen’ zoals Robert het benoemt, maar altijd-aanwezig Kennen-op-zich, dat alle kennen, voelen, waarnemen, denken en alle helderheid én onhelderheid mogelijk maakt. Zolang niet herkend wordt dat zoiets als rigpa werkelijk onaantastbaar is en onveranderlijk, zal nooit (h)erkend kunnen worden dat exact ditzelfde onaantastbare door een andere groepering in andere termen verwoord kan worden.
2.  The Golden Letters, p. 132, 149 en 151. Dzogchen-teksten van Garab Dorje en Patrul Rinpoche, vertaald door John Reynolds (Ithaca, NY: Snow Lion, 1996).   
3.  Paul Williams, Mahayana Buddhism. London: Routledge,1989; 1e druk, p. 75; een groots boek (verreweg het beste boek over Mahayana, en wat mij betreft zelfs beste boek over boeddhisme op zich).
4.  Dit is een Chinese tekst uit de zesde eeuw, genaamd Dasheng qixin Lun. Hierbij wil ik (voor de strekking van het punt omtrent het gelijktijdig-zijn van Essentie en uitdrukking) mijn dank betuigen aan Yoshito Hakeda, de vertaler van dit boek, The Awakening of Faith (New York: Columbia University Press, 1967); zie p. 40, 51, 64 en 78. Ook dank ik Whalen Lai en Peter Gregory voor hun verhelderingen van deze tekst.

maandag 17 juli 2017



John Coltrane
50 jaar geleden overleden
  
Jarenlang is John Coltrane een grootheid voor mij geweest. Een van de allergrootsten. Eigenlijk voelde hij als een soort godheid, of hogepriester. Bij alle concerten die hij in Amsterdam gaf (in 1961, 1962 en 1963) zat ik helemaal vooraan in het Concertgebouw, letterlijk aan zijn voeten. Ademloos, denkloos, opgaand in luisterende devotie.
            Op 17 juli 1967 overleed hij. Eerlijk gezegd luisterde ik toen al iets minder naar hem, omdat mijn luisteren een verandering had ondergaan (in de richting van de geluiden van wat je my g-g-g-generation’ zou kunnen noemen), maar ik was hem nog steeds heel dankbaar voor wat hij al die jaren aan me gegeven had. De volgende dag maakte ik deze tekening voor hem.

dinsdag 6 juni 2017


                                                                                                                                                                             William Blake, Eva door de slang verleid, 1800

Nisargadatta & William Blake 
als voorbeelden van de oer-tegenstelling

‘Over belangstelling en het oplossen ervan in zichzelf’,
deel 2

(1)
Sinds het daadwerkelijke binnentreden van de oosterse verlichtingswegen in het Westen, nu zo’n vijftig jaar geleden, heeft zich een soort oer-tegenstelling aangediend, namelijk de tegenstelling omtrent het al of niet terecht-zijn van verbeelding en expressie. In het Westen is dit al eeuwenlang geen punt van twijfel meer geweest, omdat hier juist het individu, mét zijn allerindividueelste expressie, onze volledige belangstelling verdient. Veel kunstenaars en dichters zijn dan ook diepgaand geschrokken (en vaak teruggeschrokken) toen zij de verregaande implicaties van de oosterse verlichting helemaal tot zich door lieten dringen. Die implicaties luiden: geef je belangstelling voor dit uiten van jezelf op, want het staat je zicht op je eigen ware natuur  in de weg, en je zicht op werkelijkheid en vrijheid.

(2)
Zoals al in de titel aangeduid, zie ik Nisargadatta Maharaj en William Blake als goede voorbeelden van de geschetste tegenstelling. Ik wil ze hier gebruiken als een soort toelichting op het artikel Over belangstelling en het oplossen ervan in zichzelf’. Weliswaar zijn ze allebei extremen, maar misschien lenen ze zich juist daardoor goed om hier naast elkaar geplaatst te worden – daardoor kan duidelijker worden wat de tegenstelling eigenlijk is.
            William Blake zie ik als een genie, een grootheid die zijn eigen weg schiep. Hij leefde van 1757 tot 1827, was dichter, schilder en etser die met recht baanbrekend genoemd mag worden. Ik beschouw hem in zijn beeldend werk als een van de grote voorlopers van de moderne kunst. Hij schiep een zichtbaar universum dat pas een halve eeuw later een klein beetje op zijn plaats viel binnen de kunst. Hij was wat je noemt een ‘uitvinder’.
            Niet voor niets heb ik een uitspraak van hem op dit blog in de rechterkolom staan, die je zou kunnen vertalen als ‘ik moet zelf een samenstel scheppen, want anders raak ik onderworpen aan dat van een ander. Ik ga niet redeneren of vergelijken: mijn zaak is het om te scheppen.’


                            Illustratie bij Dantes Vagevuur, Beatrice richt zich tot Dante, ongeveer 1825
Nisargadatta zou over deze uitspraak misschien wel gezegd hebben dat deze duidelijk van iemand is die dolend is, iemand die dat wat op zich al louter en alleen illusie is, nu zelfs tot een ‘samenstel’ wil maken! Het toppunt!
            Ondanks het feit dat ik innerlijk nog steeds aan de voeten lig van Maharaj, mijn geestelijke grootvader, beaam ik Blakes statement helemaal. Vandaar dat deze hier rechts staat. Al bij de aanvang van het blog heb ik hem er geplaatst, om de tegenstelling te verscherpen.
            Ook ik wil een eigen vorm beitelen, al noem ik dat zelf misschien geen systeem of samenstel. Ik voel de terechtheid van dat beitelen, omdat ik óók de Westerse Verlichting beaam.

(3)
Mijn ‘wortel’-leraar Nisargadatta Maharaj zei herhaaldelijk zoiets als ‘als ik geweten had wat dit is, deze wereld, was ik er niet aan begonnen.’ Met andere woorden, vanuit de waarheid van het Absolute gezien is dit hele aardse gedoe, met die miljoenvoudige belangstelling en persoonlijke uitingen, een hersenschim, een dwaling, en bovendien ‘lijden-bij-uitstek’.
            Het is precies deze visie die ervoor zorgt dat zo veel westerse mensen een echte hekel hebben aan de oosterse benadering. Vaak wordt dit wel vermomd, en verkleind tot het optrekken van een wenkbrauw en verder alles negeren, maar naar mijn gevoel is het echt een hekel. Dit oosterse praten is inderdaad een soort doodsteek. Vandaar dat ik eerder schreef dat dit, deze oosterse non-dualistische ingang, de ware tegenstelling is ten opzichte van het Westen. Hij is alleen voor het gewoon functioneren niet een gevaarlijke tegenstelling, vandaar dat hij zo graag en makkelijk genegeerd wordt.

(4)
Is er een mogelijkheid dat deze tegenstelling wordt opgeheven, of wordt doorzien als een schijnbare tegenstelling? Kunnen deze twee echt samenkomen in de psyche, zonder dat er een conflict-element overblijft?
            Beide voorbeelden zijn wat mij betreft extreem, zoals ik al schreef. Ik voel mezelf als persoon minder extreem. Ik wil graag ‘het geheel’, maar dan zonder de elkaar uitsluitende uitersten aan beide kanten – de boeddhistische term ‘middenweg’ vind ik altijd een mooie aanduiding, die ik ook hier graag hanteer. Voor deze middenweg zou ik willen pleiten.
            Daarmee bedoel ik een weg of levensgang die zich wel helemaal laat beïnvloeden door beide extremen, maar die zelf losstaat van beide, en in deze losheid luistert naar dat wat waar is in de omvattende, niet-uitsluitende zin.


                          Nisargadatta door JanKees Vergouw, 1981
(5)
Nisargadatta Maharaj was een groot Advaita-leraar in Mumbai, levend van 1897 tot 1981. Hij gaf in zijn onderricht een totale nadruk op het feit dat ons hele wereldbeeld is opgebouwd uit concepten, en dat daarin een onmogelijkheid zit om vrijheid als jezelf te verwezenlijken. Hij had eigenlijk hiermee de boeddhistische interpretatie van ‘leegte’ (shunyata) de Advaita binnengebracht, wat ik als een ongelooflijk grote gift beschouw. Hiermee werd het verschil tussen de boeddhistische en de vedantische bevrijdingsweg opgeheven, en is non-dualisme universeel geworden. Nisargadatta is vooral bekend geworden door zijn boek I Am That uit 1973. Daarin maakt hij al duidelijk dat voor hem het aardse bestaan niet dat is waar het om gaat, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn commentaar op een juichende bezoeker die zegt: “De levensdrang is iets geweldigs!” Maharaj houdt het kort: “Nog grootser is het om vrij te zijn van die drang tot leven.”[1]
           
(6)
Enige jaren later, als hij steeds meer gekweld wordt door een slopende ziekte, gaat hij zich steeds radicaler uitdrukken. Als iemand oppert “Heb ik niet heel veel geluk gehad met dat ik geboren ben?”, zegt hij: “Het is de grootste blunder dat de zijns-staat verschijnt, vanuit de Niet-zijns-staat [de staatloze ‘staat’ die aan dit zijn voorafgaat, niet in tijd, maar in werkelijkheidsgehalte].”[2] En op deze manier gaat hij verder, zowel wat betreft het de wereld binnenkomen als het eruit weggaan. Het voelt als verduidelijkend om hier een aantal citaten uit zijn laatste levensjaren onder elkaar te zetten, zodat door de herhaling de impact ervan goed kan overkomen. Allereerst drie omtrent het hier binnenkomen:
            “Stel dat het Absolute ook maar een greintje zicht had op deze ‘ik ben’-heid, zou het dan een baarmoeder willen binnengaan?”
            “Als je geweten zou hebben dat je geboren zou worden, zou je weigeren. Je zou dit voorstel om het voedsel-lichaam binnen te gaan weigeren. ‘Dank u, ik sla deze beurt over, hier heb ik geen zin in’.”
            “Als ik ook maar het minste vermoeden had gehad, zou ik dan in de gevangenis van mijn moeders baarmoeder zijn afgedaald?”[3]
            En dan over het vertrek:
             “De niet-beseffende mens wil zo lang mogelijk leven. Hij zou het moment van sterven zo lang mogelijk willen uitstellen. Maar wat schiet een Jnani [een Mens van Besef] ermee op om zelfs nog één minuut langer op deze wereld te blijven? Het enige dat prettig zou zijn is dat de levensadem rustig zou vertrekken, zonder al te veel gedoe.”
            “De belofte [bij allerlei medische behandelingen] was dat het nog een tijdje goed met me zou gaan. Maar ik ben in dat soort beloften helemaal niet geïnteresseerd. Ik ben gestabiliseerd in het Eeuwige, en ik raak niet gefascineerd door dit soort leven, door deze last. Ik wil hier zo snel mogelijk vanaf – ik ben er niet in geïnteresseerd.”
            “De gebruikelijke benadering van spiritualiteit is het bejubelen van deze beleving, met allerlei grootse termen ervoor, maar voor mij betekent het pijn; ik wil er vanaf.”
            “Mijn ziel staat op het punt dit lichaam te verlaten. Ik ben gelukkig [hij klapt in zijn handen]. Ik ben in een hoerastemming omdat ik op het punt sta om op te stappen.”[4]
            Er zijn nog wel een stuk of wat van deze uitspraken te noemen, maar zo lijkt het me genoeg. De strekking is: deze aardse beleving, ‘ik ben’, is op zich al een blunder. Dus hoezo zou je deze nog verder gaan uitbreiden door middel van ‘expressie’ en ‘belangstelling’?


                                                                                                                                The Dance of Albion, 1794
(7)
Deze afbeelding laat zien hoezeer William Blake de beleving van de aardse aanwezigheid bejubelde (ook al stond onder de latere lijngravure-versie ervan over deze Albion: “... he danc’d the dance of Eternal Death”). Geweldig! De levensdrang is iets geweldigs! Een juichkreet, binnen een alomvattende stilte. Louter Beleving.
            Mijn eigen persoonlijke ingang tot het leven is (net als die van Blake) de ingang van de kunst, het scheppende beginsel. Het uitbreidende, verrijkende – het ‘overbodige’, zo u wilt.
            William Blake is wat dit scheppende beginsel betreft door niemand na hem overtroffen, vermoed ik. Picasso en Dali kwamen wel een heel eind, maar Blake was totaler, juist omdat hij nog onschuldig was, ongespleten, nog niet ‘vernuftig’. Bovendien vind ik hem het beste voorbeeld van de andere pool omdat hij net als Nisargadatta op een bepaalde manier een ‘mysticus’ genoemd kan worden. Beiden keken ‘voorbij de tegenstelling’ (bijvoorbeeld van goed en kwaad), hoe gek het woord ‘tegenstelling’ hier ook moge klinken. Hun zicht als mysticus zet beiden op dezelfde plaats, waardoor de hier aangeduide tegenstelling rondom ‘beleving’ helemaal kan oplichten.

                    Pagina uit The Marriage of Heaven and Hell, o.a. over de Doors of Perception, 1790-93

(8)
De invloed van William Blake als dichter is enorm geweest. Walt Whitman is ondenkbaar zonder hem, en dit geldt net zo voor James Joyce, W.B. Yeats, Dylan Thomas, Jack Kerouac, Allen Ginsberg, Bob Dylan en vele anderen, zoals Da Free John/Adi Da Samraj (zie bijvoorbeeld diens gebruik van Hoofdletters). En ook Jim Morrison – de band The Doors is genoemd naar Blakes bekende uitdrukking ‘the Doors of Perception’ (“If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is: Infinite. For man has closed himself up, till he sees all things thro’ narrow chinks of his cavern”). Deze benoeming was via het boek The Doors of Perception gelopen, een verslag van Aldous Huxley over zijn ervaringen met mescaline, uit 1954. En in recentere jaren is een Blake-uitspraak door een song van Blake-adept Van Morrison (‘Let the Slave’, uit 1985) bekend geworden: “For Every thing that Lives is Holy.”
            Laat ik een klein boeket Blake-uitspraken brengen. Het is misschien even riekend naar tegeltjeswijsheid, maar dat neem ik hier voor lief. Nu geldt een zekere aanscherping. Meer niet. Ik weet van de meeste citaten niet eens de bron, maar ik vermoed dat dat hier niet zo’n bezwaar is. Ook laat ik het Engels staan – dat was zijn eigen taal, zijn medium en zijn schoonheid, en in modern Holland hoeft niet alle Engels meer vertaald te worden.
            “Energy is Eternal Delight”; “Art can never exist without Naked Beauty displayed”; “The Naked Woman’s Body is a portion of Eternity too great for the Eye of Man” – terwijl Blakes vrouw gezegd zou hebben: “Ik geniet heel weinig van het gezelschap van Mr. Blake; hij is altijd in het Paradijs.”

                                                             Eva geeft de vogels namen, 1810
“To the Eyes of the Man of Imagination, Nature is Imagination itself. As a man is, So he Sees. As the Eye is formed, such are its Powers. (...) To Me This World is all One continued Vision of Fancy or Imagination”; 
            “Imagination is Eternity”; 
              “Imagination is My World”;         &:
            “Imagination is the Real and Eternal World of which this vegetable Universe is but a faint shadow.”

                               Bij Paradise Lost van Milton, 1808. Satan grijpt in
             Bij Paradise Lost van Milton, 1808. Satan kijkt toe



















                                                   (9)
Ja, de grootheid die Blake vooral bejubelde is Imagination, Verbeelding.
            Misschien zit in dit woord verbeelding wel de beste ingang om de aangekaarte tegenstelling toe te spitsen. Vanuit Nisargadatta gezien is verbeelding nou juist een van de grootste hindernissen voor bevrijding. Zijn leraar Siddharameshwar, over wie ik onlangs iets schreef, had dit al benadrukt. “Alles raakt vervormd door verbeelding”, en “Roei alle verbeelding uit” (wipe out all imagination)”, zei hij bijvoorbeeld.[5] Nisargadatta bevestigde dit later voor honderd procent.
            Ik beschouw overigens deze visie op bevrijding als volkomen terecht. Bij bevrijding, oftewel Zelf-realisatie, gaat het uiteraard alleen maar om Werkelijkheid. Voor iemands realisatie van vrijheid heeft Werkelijkheid geen enkel ornament of toevoeging nodig, geen verbeelding of verrijking, geen extra, geen kunst of poëzie.
            Daarbij komt dat ik William Blake, ondanks mijn liefde voor hem, niet beschouw als ‘van hetzelfde belang’ of ‘van dezelfde grootte’ als Nisargadatta. Nee. Ik zie het tot Besef komen van de mens als het belangrijkste dat er is, en daarbij zijn aanwijzingen zoals die van Nisargadatta van de allergrootste waarde. Blake gebruik ik hier slechts als toonbeeld en voorbeeld van creativiteit op zich, waarbij het niet meteen aan de orde is of je alle uitingen van creativiteit waardeert – zo ben ik bijvoorbeeld helemaal niet zo’n liefhebber van Blakes mythologische en conceptuele uitgebreidheden. Maar ik heb ook helemaal geen zwak voor Nisargadatta’s extreme afwijzing van onze aanwezigheid hier – ik kan zijn woorden daarover niet als wijs ervaren. Zo zie je dat je aan beide zijden altijd wel te grote extremen zult tegenkomen (waarover Blake zei: “You never know what is enough unless you know what is more than enough”) .


Bij Dantes Hel; De reus Antaeus  zet Dante ergens af, ong. 1825
(10)
De kunstenaar en de uitvinder komen tot hun uitingsvormen dankzij hun totale belangstelling ervoor. Een zo continu mogelijke interesse. Op de vraag aan Mick Jagger waar het succes van de Rolling Stones aan te danken was, zei hij: “We waren er vierentwintig uur van de dag mee bezig.” Een interesse die alle andere achter zich laat.
            Dit is precies dat wat aan de andere kant van de hier genoemde tegenstelling eveneens het geval is. Bevrijding wordt op precies dezelfde manier verwezenlijkt. Uitsluitend door een totale belangstelling voor de Werkelijkheid kun je tot het Besef komen dat jij dat bent, ‘Dat’: Werkelijkheid als zodanig.
            Deze belangstelling die zich door niets anders laat afleiden, is wat mij betreft een absolute voorwaarde voor realisatie. Dit is een van de redenen dat ik dit blog ‘Volle Cirkel’ omschreven heb als ‘Een blog over belangstelling’. Wat mij betreft dient belangstelling allereerst uit te gaan naar bevrijding, naar het doorklieven van alle verslaafdheid aan projectie en verbeelding.
            Dit betekent dat je een gat moet toestaan, een onderbreking van alle belangstelling voor iets anders dan bevrijding. “Je hoeft je denken niet te stoppen. Houd er alleen maar mee op om geïnteresseerd te zijn. Ongeïnteresseerdheid is dat wat bevrijdt”, zei Nisargadatta.[6] En Siddharameshwar had al iets dergelijks geüit: “Wees ongeïnteresseerd in objectiveerbare dingen.”[7]
            Ja, inderdaad. Eerst moet dat helemaal. Eerst moet je je interesse in objectiveerbare zaken volledig opgeven, en zeker nog geen blog gaan beginnen dat gewijd is aan belangstelling. Herhaaldelijk moet het Gat (of ‘God’) helemaal worden toegestaan, de volledige onderbreking van elke reeks. Van elk verhaal of belangstelling, hoe verheven de inhoud van dat verhaal ook moge zijn.

(11)
De hier geschetste tegenstelling betreft dus niet twee gelijkwaardige krachten. De ene pool zit vervat in de andere. Tegenstelling blijkt hier niet een echte tegenstelling te zijn. Zodra tot je doordringt dat de waarheid van de ene zijde veel meer waar is, veel meer werkelijk, dan golft dat wat ‘tegenstelling’ was opeens over in iets dat je een rangorde zou kunnen noemen, een hiërarchie.
            Ik beschouw dit als een ware hiërarchie. Ik noem dit graag ‘Heilige Volgorde’. Het eerste gegeven ervan is nog niet van de persoon, vandaar de term ‘heilig’. Eerst moet de persoon doorzien worden, met al zijn emotionele verkleefdheden en gekleurdheden, en pas daarna geldt het andere, want dan is het creatieve een dienaar geworden.
            Zodra je kunt constateren dat er geen zoekbeweging meer in je opkomt, geen vragen meer over wie of wat je bent, blijkt vrijheid het geval, dus ook vrijheid voor het invullen en versieren van de Werkelijkheid. Werkelijkheid is waar je al uit tapt, dus in die richting hoef je niet meer te gaan. Waar je uit tapt is Niet-iets, waardoor alle ‘iets’en mogelijk worden, onbelemmerd.
            Vervolgens is ook zoiets als een blog als dit, waar de belangstelling alle kanten op mag gaan, een mogelijke broedplaats voor het nieuwe.
            Ik bejubel hier het nieuwe, het oorspronkelijke.

(12)
Nisargadatta Maharaj staat voor datgene wat in ieder mens exact hetzelfde is. William Blake staat voor dat wat in ieder mens volstrekt verschillend is, en wat geheel onverwacht is. Dit laatste is volgens mij van belang, want Blakes invulling van deze zaak is net zo individueel als de mijne, of de jouwe. Onverwacht. Je weet niet wat je volgende uitingsvorm zal zijn. Je weet niet wat er opeens uitgevonden gaat worden.
            Maar dát er uitgevonden wordt, geschapen, zie ik als groots, als verrijkend. Blake is zoals gezegd een symbool daarvan. Een recenter symbool is Steve Jobs. Hij vertegenwoordigt wat ik in een eerder artikel benoemde als ‘het opnieuw leren invullen van het begrip “intelligentie’’’. Bono, zanger van U2 én Blake-adept, zei eens over Steve Jobs: “De mensen die de 21ste eeuw uitvonden, waren wiet rokende, op sandalen lopende hippies aan de Amerikaanse westkust, zoals Steve, omdat zij anders tegen zaken aankeken. De hiërarchische structuren van de Amerikaanse oostkust, Engeland, Duitsland en Japan moedigen dit anders-denken niet aan. De zestiger jaren brachten een anarchistische geesteshouding voort die geweldig is voor het verbeelden van een wereld die nog niet bestaat.”[8]
            Ja, zou Blake zeggen, “What is now proved was once only imagin’d.”[9]

(Appendix)
Franklin Jones, die zich later Da Free John zou noemen (en nog later Adi Da Samraj), beschreef de hier aangekaarte tegenstelling al in zijn Knee of Listening:
            “Creativiteit is het idool van het Westen. Alle activiteiten en kennis van het Westen, zelfs zijn obsessies, zijn een aanbidding van creativiteit, de bron en de kracht van alles wat voortbrengt.
            Niet-creatie is het idool van het Oosten. Alle activiteiten en kennis van het Oosten zijn een aanbidding van niet-creatie, van onze oorspronkelijke natuur.
            De wereld is verdeeld in deze twee revolutionaire vormen. Deze doordrenken alle religie en filosofie, alle economie en politiek en elke vorm van leven, zowel gemeenschappelijk als individueel. Dit is sinds mensenheugenis het geval. (...)
            De toekomst is niet aan het Westen, en niet aan het Oosten. Niet aan de weg van leven, noch de weg van waarheid. De toekomst is aan werkelijkheid op zich, die hetzelfde is voor allen die beseffen, die inzicht hebben. Wat dus nodig is, is radicaal inzicht in elke ervaring en elke waarheid. Wat nodig is, is een nieuwe generatie van waarachtige mensen die werkelijkheid zullen leven, en die zich er nooit van zullen afwenden.”[10]  

(Tribuut)
Mijn liefde voor Blake heb ik vooral te danken aan een te vroeg gestorven boezemvriend, Volkert Reijn (1931-1986), die net als Blake schilder en dichter was. Volkert was in toenemende mate een beminnend ‘kenner’ van Blake, doordrenkt van diens openbaringen en werelden. Over Volkert wil ik hier graag een andere keer schrijven.

(Noten)
1. I Am That, p. 98.
3. Nothing is Everything, p. 32-33.
3. Respectievelijk The Nectar of the Lord’s Feet, p. 91; The Experience of Nothingness, p. 46; Prior to Consciousness, p. 56.
4. Respectievelijk The Ultimate Medicine, p. 128; Prior to Consciousness, p. 14; Prior to Consciousness, p. 37; The Ultimate Medicine, p. 72. Het eerste citaat, over de Jnani, is door Lance Nelson gebruikt in zijn artikel ‘Living Liberation in Sankara and Classical Advaita’ (in Living Liberation in Hindu Thought, geredigeerd door Andrew Fort en Patricia Mumme; SUNY Press, Albany, 1996; p. 62 en 45). Ik vind dit artikel erg goed; Nelson betoogt dat hoewel er in de Advaita wordt gezegd dat het om jivan-mukti gaat, dwz. bevrijding in dit lichamelijke leven, het er toch vaak op neerkomt dat vi-deha-mukti wordt geprefereerd, dwz. bevrijding bij het verlaten van het lichaam (deha).
5. Master of Self-Realization, respectievelijk p. 440 en 495.
6. I Am That, p. 241.
7. Master of Self-Realization, p. 131.
8. Geciteerd in Steve Jobs, de biografie, door Walter Isaacson. Ned. vert. Spectrum, Houten & Antwerpen, 2011, p. 83.  
9. Evenals een paar andere citaten is dit afkomstig uit de Proverbs of Hell, in The Marriage of Heaven and Hell, geschreven en geïllustreerd tussen 1790 en 1793.
10. Op een bepaalde manier zijn Franklin en William als schrijver van een vergelijkbare grootsheid. Dit is uit ‘The Wisdom of Understanding’, in The Knee of Listening, editie van 1973; p. 246-247 (cursivering van mij, PhR).

(Boeken en links over Blake)

Davis, Michael, William Blake – A new kind of man (de ondertitel is door Van Morrison gebruikt voor zijn song “A New Kind of Man”, uit 1984). London: Paul Elek, 1977.
Erdman, David V., Blake: Prophet Against Empire. Princeton, NJ: Princeton University Press, 1954 (en Revised ed. 1969).
Klonsky, Milton, William Blake – The Seer and His Visions. New York: Harmony Books, 1977.
Klonsky, Milton, Blake’s Dante. The Complete Illustrations to the Divine Comedy. London: Sidgwick & Jackson, 1980. 

http://www.blakearchive.org/