woensdag 25 oktober 2017


Een boeket boekomslagen
Een jarenlange liefde voor het boek en zijn vorm

Ik heb zin om weer eens eigen vorm te laten zien. Boekomslagen in dit geval. Een jaar geleden plaatste ik hier al een overzicht van mijn omslagen voor de Kwintessens-serie van de Bezige Bij, en nu wil ik graag een selectie tonen van mijn overige omslagen. Hierbij, als een losjes gerangschikt boeket:



 
 

 

 



1.  Nisargadatta Maharaj, Zelf-realisatie. Gesprekken met Shri Nisargadatta Maharaj over onze natuurlijke staat. Redactie Alexander Smit en Philip Renard. Altamira, Hillegom, 1988. Vertaling van The Nectar of the Lord’s Feet (1987). Omslagletter Times New Roman. Tweede druk in 1997, met andere omslag (zowel omslag in ‘Vedanta-reeks’ als losse kleurenfoto-stofomslag zonder letters – voor ‘Vedanta-reeks’ zie nr. 9, John Levy, 1992).
2.  Harry Mulisch, Paniek der onschuld. De Bezige Bij, Amsterdam, 1979. Omslagletter Modern No. 20.
3.  Wolfgang Borchert, Hans Jahnn enz., 8 duitse verhalen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1966. LRP 177. Eigen tekening op omslag; omslagletter smalle Grotesque-achtige kapitaal en Monotype Garamond cursief.
4.  Gerard den Brabander, Verzamelde gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam, 1966. LRP 162. Eigen foto op omslag (vanuit mijn toenmalige zolderkamer in Gerard Doustraat); omslagletter Clarendon Bold Condensed.
5.  Harry Mulisch, De verteller, of een idioticon voor zegelbewaarders. De Bezige Bij, Amsterdam, 1978. Ook gebonden editie. Omslagletter Times New Roman.
6.  Philip Renard, Jezus spreekt. De toespraken en dialogen van Jezus Christus volgens de evangeliën van Marcus, Matteüs, Lucas en Johannes. Karnak, Amsterdam, 1983. Omslagletter News Gothic. Schildering onbekende 16e-eeuwse meester uit Milaan.
7.  Alexander Smit, Bewustzijn. Gesprekken over dat wat nooit verandert. Redactie Nardy de Nijs-van Aggelen en Philip Renard. Altamira, Heemstede, 1990. Gebonden. Omslagletter eigen getekende kapitaal; deze ook gebruikt voor het bandstempel. Op omslag schilderij van G. Peter. Vierde druk in 2010.
8.  Vragenlijst Drug-gebruik. Samenstelling Herman Cohen, Universiteit van Amsterdam, 1966 [of 1967]. Omslagletter Gill.
9.  John Levy, Non-dualiteit. Het wezen van de mens volgens de Advaita Vedanta. Altamira, Heemstede, 1992. Tweede druk van Het wezen van de mens volgens de Vedanta, uit 1972. Vertaling van Levy’s The Nature of Man According to the Vedanta. Londen, 1956. Eindredactie Philip Renard. Omslagletter Schneidler Old Style. Deze omslag is hierna ook gebruikt voor Altamira’s ‘Vedanta-reeks’, behalve de toepassing van de Schneidler-letter. Deze reeks betreft: Nisargadatta’s De Ultieme Werkelijkheid (1992), Jean Klein’s Wie ben ik? (1993), Alan Watts’ Zelfkennis, het laatste taboe (1993), H.W.L. Poonja’s Oog in Oog (1994), Nisargadatta’s Bewustzijn en het Absolute (1996), en de herdruk van Nisargadatta’s Zelf-realisatie (1997). Ontwerp van binnenwerk van een aantal van deze boeken is gebaseerd op de typografie van Zelf-realisatie en Bewustzijn.
10.  Hanneke Korteweg-Frankhuisen, Geest & drift. Als hoogste weten en laagste wensen samenkomen. Servire, Cothen, 1993. Eigen tekening op omslag; omslagletter Swift.
11.  Alexander Smit, Het Directe Pad. [Gesprekken over] de kwintessens van het onderricht. Altamira, Heemstede, 1997. [Teksthaken in ondertitel vanwege ontbreken van eerste gedeelte op de titelpagina.] Gebonden. Omslagletter Schneidler Old Style; deze ook gebruikt voor het bandstempel.
12.  Leonardo da Vinci, Profetieën. Vertaling Harry Mulisch. De Bezige Bij, Amsterdam; gepland voor 1979. Gebonden. Omslagletter ATF Caslon Antique. Niet gepubliceerd; wel dummy gedrukt.
13.  Atmananda (Krishna Menon), Atmananda Upanishad. Vertaling van Atma Darshan & Atma Nirvriti, door Wolter Keers en Philip Renard [onder pseudoniem Kutasthananda]. Upanishad Uitgeverij, Urk, 1994. Gebonden. Naast het hier getoonde bandontwerp ook stofomslag. Letter van bandstempel: Van Dijck.
14.  Ramana Maharshi, Ramana Upanishad. De verzamelde geschriften van Ramana Maharshi. Samengesteld en vertaald door Philip Renard. Servire, Utrecht (& Felix, Cothen), 1999. Gebonden. Ook bandontwerp. Omslagletter Schneidler Old Style; deze ook gebruikt voor het bandstempel. Eigen lijntekening van OM-teken. Tweede druk (Felix, Cothen) in 2007, met andere omslag (van Mark Schalken, met omslagletter Renard).
15.  Philip Renard, Non-dualisme. De directe bevrijdingsweg. Felix, Cothen, 2005. Omslagletter Schneidler Old Style. Omslagillustratie eigen logo (van Stichting Advaya). Tweede (gewijzigde) druk in 2010.
16.  Simon Vinkenoog, Wonder boven wonder. Gedichten 1965-1971. De Bezige Bij, Amsterdam, 1972. LRP 399. Omslagletter Van Dijck cursief; schildering van zoon van Simon Vinkenoog.
17.  Eva Pierrakos, Pad-werk: werken aan jezelf of juist niet? Samengesteld door Philip Renard; ook vertaling van enige hoofdstukken (Pad-lezingen). Ankh-Hermes, Deventer, 1987. Eigen tekening op omslag. Omslagletter Plantin. Achtste druk in 2007.
18.  Philip Renard, 22 jaar Pad-lezingen in vogelvlucht. Uitgeverij De Lachende Pad, Utrecht, 1989. Spiraalband-uitvoering. Op omslag eigen zwart-wit-tekening en logo. Omslagletter eigen getekende kapitaal.
19.  Adriaan Morriën, Het gebruik van een wandspiegel. De Bezige Bij, Amsterdam, 1968. LRP 253. Op omslag is een kapitaal gebruikt van Théophile Beaudoire uit 1858, die aanwezig was bij drukkerij Mouton in Den Haag. Voor gebonden editie deze belettering ook als bandstempel.
20.  Ewald Vanvugt, Buiten zinnen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1972. LRP 389. Met zwart-wit tekeningen; deze ook op omslag (goud) en binnenplat.
21.  Randstad 11-12. Manifesten en manifestaties 1916-1966. Samengesteld door Simon Vinkenoog. De Bezige Bij, Amsterdam, 1966. LRP 199. Op omslag tekening in ‘driekleurendruk’.
22.  Ewald Vanvugt, Mijn vrouwen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1967. LRP 152. Omslagletter Rosart kapitaal. Alleen als dummy gedrukt (het boek is met andere omslag gepubliceerd).
23.  Philip Renard (vert.), Het Evangelie van Philippus. Karnak, Amsterdam, 1985. Vertaling voornamelijk vanuit de Engelse vertaling van Wesley Isenberg (The Nag Hammadi Library in English. Leiden, 1977). Omslagletter Caslon. Tweede druk in 1994.
24.  Simon Vinkenoog, Zolang te water. Een alibi. De Bezige Bij, Amsterdam, 1969. LRP 302. Negende druk (eerste druk 1954). Omslagletter Rosart kapitaal.
25.  Skoop. Filmtijdschrift. Jaargang III, nr. 1 (dit is eerste nummer van jaargang III, 1 t/m 10; mei 1965 t/m juli 1966). De Bezige Bij, Amsterdam. Eigen logo.
26.  Hugo Claus, Harry Mulisch, enz., Reconstructie. Blauwdruk van een opera. Een moraliteit. De Bezige Bij, Amsterdam, 1969. Op omslag getekende letters, met lijntekening.
27.  Philip Renard, Het Boek van Besef. Over de werkelijkheid van ‘jezelf’. Juwelenschip, Cothen, 2014. Omslagletter Janson Text; eigen foto op omslag.
28.  Simon Vinkenoog, Vogelvrij. Bouwstenen 1963-1967. De Bezige Bij, Amsterdam, 1967. LRP 231. Op omslag, of eigenlijk op de rug: Bodoni Smal vet. Opgenomen in De best verzorgde vijftig boeken van het jaar 1967. Tweede druk in 1968.
29.  Ewald Vanvugt, La ilaha illala. Paul Brand, Bussum, 1971.  Omslagletter eigen ontwerp, uitgaand van Arabisch schrift.
30.  Adin Steinsaltz, De dertienbladige roos. De essentie van het joodse geloof. Karnak, Amsterdam, 1983 (vertaling van The Thirteen Petalled Rose. New York, 1980). Eigen lijntekening van ‘logo’ (opgebouwd uit 13 Hebreeuwse jod-lettertekens) op omslag. Omslagletter News Gothic.

dinsdag 12 september 2017



‘Ik’ is een deur nu in het Engels

Vorige week werden de eerste exemplaren bezorgd van ‘I’ is a Door, de Engelse vertaling van ‘Ik’ is een deur die in India is gepubliceerd.
            Voor mij een feestelijk moment: mijn eerste boek in het Engels. Als artikelen waren de vier hoofdstukken al wel verschenen in de Mountain Path, het tijdschrift van de Ramana-ashram, maar als boek (of eigenlijk boekje, namelijk 96 pagina’s) voelt het toch weer helemaal nieuw.

Het boek gaat over het bijzondere gegeven dat de term ‘ik’, die in veel geestelijke teksten wordt gebruikt voor het ego dat eigenlijk overwonnen of zelfs vernietigd zou moeten worden, door de grote advaitische leraren (de drie die ik als ‘De Grote Drie’ beschouw) nu juist gehanteerd wordt om het Uiteindelijke aan te duiden. In het boek wordt benadrukt dat ‘ik’ juist dat is wat altijd al het geval is. Dit ‘ik’ in de ware zin van het woord hoeft in feite nog niet meteen verward te worden met de tijdelijke gestalte die geboren is en een naam heeft.
            Het boek is een uitnodiging om zelf opnieuw te onderzoeken wat ‘ik’ in werkelijkheid is.

‘I’ is a Door. The essence of Advaita as taught by
Ramana Maharshi, Atmananda & Nisargadatta.
Translated by Johan Veldman and Wybe van de Kemp.
Mumbai: Zen Publications, 2017. USD 14.00

vrijdag 18 augustus 2017



Nicolas Jenson
Het genie dat onze huidige letter creëerde

Naar mijn gevoel wordt er veel meer getypt dan vroeger. Misschien heet het beroeren van een smartphone met een of twee vingers (of duimen) niet eens meer typen. Maar er worden constant afbeeldinkjes van het latijnse alfabet aangeraakt, en daar doel ik hier op. Voordat e-mail bestond belde je meestal; slechts af en toe schreef je iemand een brief. En áls je dan een brief schreef, was dat in de meeste gevallen nog met de hand, althans ik deed dat zo. Het gebruikmaken van lettermateriaal dat door anderen is aangeleverd, zoals in typemachine, tekstverwerker en zetprogramma, was toen helemaal niet vanzelfsprekend, en nu wel – op computers en smartphones wordt volledig geput uit bestaand lettermateriaal.

De vorm van deze letters is ooit door een paar mensen vastgelegd. De meeste mensen kennen wel de naam Gutenberg, als ‘degene die de boekdrukkunst heeft uitgevonden, zo rond 1450 in Mainz’. Gutenbergs uitvinding is geniaal. Hierdoor werd het voor het eerst mogelijk een veelvoud te vervaardigen van werkelijk identieke exemplaren. Marshall McLuhan illustreerde dit vijftig jaar geleden op een prachtige manier, met uitspraken als
“Printing, a ditto device
Printing, a ditto device
Printing, a ditto device, etc. (...)
      It provided the first uniformly repeatable ‘commodity’, the first assembly line – mass production.”
            En: “As we begin, so shall we go”.[1]


Toch heeft Gutenberg met de huidige typografie eigenlijk al niet echt meer te maken, omdat zijn tijdperk voorbij is – in ongeveer 1975 kwam er een einde aan het zetten met loden letters. Bovendien is de vorm van de letters van Gutenberg, de ‘textura’ (een van de vormen van het gotische schrift), allang niet meer in gebruik. Ziehier een voorbeeld, uit zijn bijbel van 1454 of 1455:
          

De letter die wij nu gebruiken wordt ‘romein’ genoemd.[2] En de vorm van deze romein-letter is zo’n vijftien jaar na Gutenbergs uitvinding gecreëerd, op grond van bestaande geschreven vormen, namelijk het humanistische schrift. Hierbij twee voorbeelden:

  















Dit schrift was een interpretatie van de laat-Karolingische minuskel door huma-nistische kopiisten. Die zagen deze schrijfletter aan voor een schrift uit het oude Rome. De hoofdletters (of kapitalen) waren inderdaad afgeleid van keizerlijke Romeinse inscripties, maar de kleine letters (minuskels, later ‘onderkast’ genoemd) waren pas sinds het eind van de achtste eeuw in West-Europa ontwikkeld. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw, na een eeuwenlange onderbreking waarin gotische lettersoorten gangbaar waren, werd dit karolingische/humanistische schrift steeds verder verfijnd, waarbij de letters op zich steeds meer afzonderlijke vormen werden. De schreven van de letters werden steeds kleiner, behoedzaam gevormd om ze meer in overeenstemming te brengen met de schreven van de oorspronkelijk in steen uitgehakte kapitalen.


De eerste lettersnijders die een romein maakten, in 1465, waren de Duitsers Konrad Sweynheim en Arnold Pannartz, die in Subiaco, zo’n 70 km van Rome, de drukkunst in Italië geïntroduceerd hadden. Zie hierbij hun eerste boek, De Oratore van Cicero, het eerste boek dat gedrukt was in Italië:


Hun letter had nog wel een zekere verwantschap met de gotische types, dat wil zeggen dat ze nu niet echt als ‘een gewone letter’ zouden worden herkend. Dat veranderde toen in 1468 de broers Johann en Wendelin von Speyer (oftewel Da Spira, zoals ze in Italië werden genoemd) in Venetië neerstreken. Zij vervaardigden in 1469 een romein die wij nu wel al min of meer als een gewone letter zouden ervaren. Zie hierbij een detail uit hun eerste boek, eveneens van Cicero, Epistolae ad Familiares:


Maar het was toch de Fransman Nicolas Jenson (ca. 1420-1480) die, eveneens in Venetië, in 1470 een letter creëerde die werkelijk ‘onze huidige letter’ is: in de basis identiek aan een gebruikelijke schreefletter van de eenentwintigste eeuw (volgens verschillende onderzoekers was Jenson overigens ook verantwoordelijk voor de letter van Johannes da Spira uit 1469).[3] Ziehier een paar afbeeldingen uit Jensons eerste boek, De Evangelica Praeparatione van Eusebius, uit 1470 (de getoonde hele pagina is dezelfde pagina als die bovenin het artikel; zo kun je een indruk krijgen van de vrijheid om verschillende verluchtingen te maken rondom eenzelfde zetspiegel):










Ik vind de pagina’s met Jenson-letters prachtig. Toch is dit uiteindelijk niet het punt. Er zijn schrijvers die zeggen “Jenson behoort tot de allerbeste letterontwerpers.” Ook dat is niet het punt – het betreft hier geen vergelijking tussen een willekeurig stel ontwerpers. Het gaat erom dat Jenson de letter heeft vastgelegd. Zijn letter werd de norm voor alle letters na hem. Ook al zijn er veel pogingen gedaan om eens iets heel anders te maken, steeds bleef Jensons letter de norm. Alle letters kunnen geijkt worden aan de zijne.
            Met de letter in dit boek, Eusebius De Evangelica Praeparatione, is onze letter begonnen.
            In mijn ogen is dit boek een van de meest waarachtige monumenten van wat ‘renaissance’ genoemd wordt. Met de grote humanistische schrijfmeesters was de renaissance natuurlijk al decennialang gaande, maar nu deze humanistische letter in los letterzetsel vervaardigd kon worden, met andere woorden dat er nu met de nieuwe technologische vaardigheid een samenspel ontstond – ja, dat noem ik een hoogtepunt van de renaissance. Het grootse hiervan was dat nieuwe humanistische ideeën (wat je op een bepaalde manier ‘de bron van de Westerse Verlichting’ kunt noemen) in alle richtingen verspreid konden worden. 
           Ziehier nog een paar afbeeldingen uit  latere boeken van Jenson, de eerste uit 1471, de andere uit 1472, allemaal even mooi:



 
Het is verbazingwekkend dat Jenson niet vermeld wordt op de Wikipedia-pagina over de renaissance – terwijl ik nog wel een standbeeld voor hem had willen bepleiten!
            Je kunt inderdaad zeggen dat het Gutenberg Tijdperk voorbij is, maar het Jenson Tijdperk gaat gewoon door, hoe onopgemerkt ook. Hiermee bedoel ik dat weliswaar de computer-zettechniek het helemaal heeft overgenomen van de lood-zettechniek (die zoals gezegd door Gutenberg was aangevangen), maar dat de letter zelf, de zichtbare ‘romein’, nog steeds volop gebruikt wordt, in al ons internet en mail-verkeer. Geen wezenlijke wijziging ondergaan. Het is een groot wonder, deze creatie van ‘de echt tijdloze drukletter’ (terwijl de gotische letter van Gutenberg nu nog slechts een curiosum is). Gutenberg schiep een vergankelijk procedé, maar Jenson een blijvend voorbeeld.

LINKS:
Ik voeg hierbij links naar zowel Nederlandse als Engelse Wikipedia-pagina’s. Opvallend genoeg is dit een van de weinige keren dat ik de Nederlandse Wiki beter vind dan de Engelse. Ik kan aanraden de Nederlandse over Jenson te lezen.


BOEK:
Martin Lowry, Nicholas Jenson and the Rise of Venetian Publishing in Renaissance Europe. Oxford: Blackwell, 1991.

NOTEN:
1. Catalina-amfibievliegtuigen op de lopende band. Marshall McLuhan en Quentin Fiore, The Medium is the Massage. New York: Bantam, 1967; p. 45-50.
2. De aanduiding ‘latijns schrift’ voor ons alfabet betreft het geheel ervan: voornamelijk duidt dit op de romein, maar het includeert ook bijzondere vormen zoals de genoemde textura (een van de vormen van gotisch schrift) en het Ierse unciaalschrift. Buiten dit latijnse schrift is ook het griekse en het cyrillische schrift beïnvloed door het vastleggen van de romein-drukletter door Jenson. Jenson sneed zelf al in 1471 griekse letters. De eerste druk met cyrillische letters was in 1490 in Krakau, en in 1494 werd ook in Cetinje (Montenegro) een boek in cyrillisch gedrukt. Dit boek was weliswaar al beïnvloed door de ontwikkeling die gestart was in Venetië, maar de vorm van de letters was nog een unciaal, dat wil zeggen een lettersoort zonder onderscheid tussen kleine letters en hoofdletters. Pas in 1708 werd, door toedoen van tsaar Peter de Grote, in een Nederlandse werkplaats een nieuwe vorm van cyrillisch ontwikkeld, waarin dit onderscheid wel aanwezig was. Deze letter was in feite gebaseerd op de romein – dus op het voorbeeld van Jenson. Door dit identieke uitgangspunt kunnen twintigste-eeuwse lettertypes zoals de Times en de Baskerville (en hedendaagse zoals de Quadraat) ook een cyrillische versie hebben.
3. Zie bijvoorbeeld John Lane in Mathieu Lommens Het boek van het gedrukte boek (Amsterdam University Press, 2012) p. 18, en Warren Chappell in zijn A Short History of the Printed Word (Dorset Press, New York, 1989) p. 68-69.

POST SCRIPTUM:
Na het voltooien van dit artikel stuitte ik op een blog van Riccardo Olocco, die een nadruk blijkt te leggen die vergelijkbaar is met de mijne. Eindelijk – voor mij voor het eerst­ – iemand die ook het werkelijk originele maatstaf-karakter van Jenson benadrukt, in plaats van het schenken van een waarderend knikje alsof Jenson ‘inderdaad mooie letters maakte’. Olocco is veel meer een kenner dan ik, dus als iemand dieper wil ingaan op details, kan ik hem aanraden verder te lezen op zijn blog:

donderdag 27 juli 2017



Over het herkennen van het belang van het universele in non-dualisme

  1    
Vanaf het begin is er de eenheid van Essentie en zijn uitdrukking.
Deze twee zijn onverbrekelijk. ‘Essentie op zich’, dat is helemaal geen reëel iets. Dat is alleen maar een verwijzing. Je kunt van Essentie spreken zodra je uitdrukking aantreft. Vandaar dat hier gezegd wordt dat ze onverbrekelijk zijn.

God die ‘op een bepaald moment tot scheppen overgaat’: dat is een conceptueel beeld in de tijd. Terwijl dit iets betreft wat juist nog geen tijd kent.
Al vanaf ‘het begin’ is er Essentie én zijn uitdrukking, tegelijkertijd. God met Adam en met Satan en met Eva en met zoon Kaïn (en eventueel ook met een zekere Lilith), en ‘daarna’ met alle anderen: steeds tegelijkertijd wat betreft de onverbrekelijke eenheid van Essentie en uitdrukking.
Uitdrukking is altijd specifiek. Dat wil zeggen dat deze altijd verschillend is van een andere uitdrukking – maar op het moment van het zien van een specifieke uitdrukking blijkt hij onverbrekelijk en gelijktijdig te zijn met zijn eigen Essentie, het constant Verschilloze, zijn ‘Schepper’.

  2
Weliswaar is Essentie natuurlijk altijd het geval, maar uitsluitend als niet-iets, dus dat kun je niet een ‘bestaan’ noemen. Je kunt er niet over spreken. Taal kan dit grootse niet aan, het ongelooflijke van dit Lege, Kennende beginsel.
 
  3
Deze manier van spreken is ontleend aan de paar waarachtige tradities die het in feite allang met elkaar eens zijn, ondanks de schijn van verschil van mening.
Ik heb zelf nauwelijks iets bedacht. Alleen maar ophelderen, verduidelijken, vertalen, interpreteren. Van Shenhui, Atmananda, Shankara, Zongmi, Tulku Urgyen, Ramana, Longchenpa, Nisargadatta – noem ze maar op. De Groten.
En in dat ophelderen zie ik dat ze het werkelijk eens zijn, ook al lijkt het wel eens alsof iets haaks staat op iets anders.

  4
Ik durf mijn conclusies te trekken. Mozes hoor ik ook roepen, en Bapak Subuh, en soms Mohammed, en ja, natuurlijk Jezus, maar ik blijf in de eerste plaats trouw aan het Eerste, en dat is:
het Conceptloze.
            Leegte, Niet-iets, Niet-weten, No-mind, Nir-guna Brahman, Dharmakaya, La ta‘ayyun, Advaya, Tathata. Allemaal termen voor Dat waar taal niet verder kan komen. De Essentie. Dat waar nog geen verschil is.

  5
Het begint namelijk nu pas.
Alles is gewoon dezelfde Totale Essentie, het Verschilloze, dat zich nu toont in deze specifieke vorm: man in tuin, schrijvend, met zon en wolken, en muziekgeluiden van ver.
Het begint nu pas.
Het specifieke (de uitdrukking) lijkt oud, lijkt ‘veroorzaakt’, ‘geschapen’, en soms lijkt het wel een vergissing. Vasana’s, samskara’s, te vertalen als ‘geneigdheden’, ‘karma’, en uiteraard ook het zogenaamde bergplaats-bewustzijn (alaya-vijnana). Tuurlijk, allemaal vergissing. Allemaal gebaseerd op niet-besef (a-jnana), dat wil zeggen het niet-herkennen (ma-rigpa) van Bewustzijn of Gewaarzijn – van Essentie. Van Dat wat nooit afwezig kán zijn.[1]

  6
Ondanks deze vergissing (in miljoenvoud), ja desondanks:
            dit blijkt nieuw te zijn. Deze huidige vorm.
Dit is nooit eerder gebeurd.
Dit hoeft niet verklaard te worden.
De huidige vorm,
            die de uitdrukking is van Essentie, het Verschilloze,
            is ook nu geheel en al onafscheidelijk ervan,
            en in de kern er niet van verschillend.
Zoals zo prachtig gezegd wordt:
“Bewustzijn (Rigpa) is in harmonie met de verschillende dingen die als fenomeen verrijzen” [dat wil zeggen: die verrijzen als zijn huidige vorm].[2]

  7
En opeens (ook al doe ik dit al jarenlang maar nu toch voor het eerst) doe ik een beroep op het
            zien  of  herkennen
            van het ongelooflijke belang van het feit dat er (ondanks alle onmin en wreedheid overal) nu al onderricht bestaat dat het 100% eens is, en zelfs in Essentie Identiek is –
ook al zijn de termen in de verschillende clubs nog traag en hardnekkig, en zijn de meeste mensen in die specifieke clubs niet zo genegen om te zien dat ook anders clubs dingen zeggen die werkelijk (dwz. niet oppervlakkig of scheurkalenderachtig) op hetzelfde neerkomen. Wonderlijk is het, en jammer.

  8
Als er onderricht bestaat dat qua termen wel verschilt maar dat werkelijk, werkelijk (ook na jarenlang checken) honderd procent identiek blijkt te zijn,
dan is er voor mij aanleiding om tot lofzang over te gaan.
           
O! God zij geprezen!
Er is werkelijk vrede!
Vrede is in zijn ware aard niet een concept!

  9
En meteen erna durf ik ‘terug’ te gaan. Ja, in de tijd. Naar Nagarjuna, zo rond de tweede eeuw na Jezus, die aangaf dat het nog helemaal niet gaat om iets nieuws te zeggen, om een ‘eigen’ standpunt in te nemen, maar uitsluitend om aan te wijzen dat geen van de standpunten op werkelijkheid gebaseerd is.
Geen enkel standpunt. Slechts leegte, het conceptloze.

  10
Ik beschouw Nagarjuna’s ontkrachting als ‘de eerste noodzaak’.
Ja, eerst de ontkrachting; eerst het conceptloze.
Maar direct daarna zeg ik dat dit alleen maar het begin is van het ware praten.
Het ware praten, zoals ik het nu even durf te noemen, heeft natuurlijk ook een vervolg.
Nagarjuna’s nadruk werd wel eens, heel terecht, ‘een louter therapeutisch hulpmiddel’ genoemd[3] – omdat hij namelijk daarna niet opeens toch weer een ‘standpunt’ innam.

  11
Het ‘ware praten’ erkent dat er herhaaldelijk vergissing en strijd is. Geen ontkenning of doofpot. Licht schijnt op de mogelijkheid van vergissing – ook eigen vergissing, uiteraard.
Maar vervolgens is wat ik het ware praten noem, volledig open om Dat te zien waar onmin alleen maar veroorzaakt blijkt te worden door termen, door codes, vooroordelen, traditionele afspraken en loyaliteiten.
Dán komt er zicht op alle geestelijke benaderingen die werkelijk hetzelfde zeggen, ondanks dat de termen en codes ogenschijnlijk zeer verschillen van elkaar. Aanduidingen als boeddhistisch en vedantisch blijken verouderd te zijn – louter bijzaken betreffend. Dus reizen we dan bijvoorbeeld van een Indiaas-vedantische tekst van Shankara met groot gemak door naar een Chinees-boeddhistische tekst die bekend is geworden als The Awakening of Faith.[4]
Dan is er niet meer zo’n wonderlijke afweer tegen ‘de oude teksten’, die je nu nog vaak tegenkomt. Dan is er bereidheid om die teksten te onderzoeken die vanuit verschillende windstreken hetzelfde blijken aan te duiden. Echt hetzelfde.
Dan is er vrijheid om het identiek-zijn uit te drukken temidden van vooringenomenheid, sektarisch denken en onvrede.

  12
De deur van vrede wordt hiermee aangewezen.
Vrede zit al vervat in de uitdrukking in de ware teksten. In de teksten die werkelijk Hetzelfde zeggen.

‘Hetzelfde’: dat kán niet iets anders zijn dan Vrede.
Vandaar mijn uitnodiging: kijk naar wat werkelijk Hetzelfde is in al die benaderingen. Dat is Vrede. Dat is het Universele, waar strijd een onmogelijkheid blijkt te zijn.
Vandaar dit pleidooi voor het herkennen van de echtheid van het reeds aanwezige universele.
Ja, het universele is de deur – of liever:
            het herkennen van het universele
            is de deur van vrede.  

  Noten
1.  Dit is een kleine hint in de richting van Dzogchen-vertaler Robert Hartzema, die in zijn vertalingen van klassieke Tibetaanse teksten met grote stelligheid ma-rigpa vertaalt als ‘de afwezigheid van rigpa’, de afwezigheid van ‘helder gewaarzijn’, met de mededeling dat rigpa ‘in zijn tegendeel kan omslaan’. Rigpa zoals dat door de grote leraren wordt gebruikt, kan nooit in zijn tegendeel omslaan [wel moet erkend worden dat de term rigpa op andere niveaus iets kan betekenen dat inderdaad in zijn tegendeel kan omslaan]. Ma-rigpa betekent slechts het niet-herkennen van het Altijd-aanwezige. Rigpa is niet ‘een kwaliteit van waarnemen’ zoals Robert het benoemt, maar altijd-aanwezig Kennen-op-zich, dat alle kennen, voelen, waarnemen, denken en alle helderheid én onhelderheid mogelijk maakt. Zolang niet herkend wordt dat zoiets als rigpa werkelijk onaantastbaar is en onveranderlijk, zal nooit (h)erkend kunnen worden dat exact ditzelfde onaantastbare door een andere groepering in andere termen verwoord kan worden.
2.  The Golden Letters, p. 132, 149 en 151. Dzogchen-teksten van Garab Dorje en Patrul Rinpoche, vertaald door John Reynolds (Ithaca, NY: Snow Lion, 1996).   
3.  Paul Williams, Mahayana Buddhism. London: Routledge,1989; 1e druk, p. 75; een groots boek (verreweg het beste boek over Mahayana, en wat mij betreft zelfs beste boek over boeddhisme op zich).
4.  Dit is een Chinese tekst uit de zesde eeuw, genaamd Dasheng qixin Lun. Hierbij wil ik (voor de strekking van het punt omtrent het gelijktijdig-zijn van Essentie en uitdrukking) mijn dank betuigen aan Yoshito Hakeda, de vertaler van dit boek, The Awakening of Faith (New York: Columbia University Press, 1967); zie p. 40, 51, 64 en 78. Ook dank ik Whalen Lai en Peter Gregory voor hun verhelderingen van deze tekst.