dinsdag 6 juni 2017


                                                                                                                                                                             William Blake, Eva door de slang verleid, 1800

Nisargadatta & William Blake 
als voorbeelden van de oer-tegenstelling

‘Over belangstelling en het oplossen ervan in zichzelf’,
deel 2

(1)
Sinds het daadwerkelijke binnentreden van de oosterse verlichtingswegen in het Westen, nu zo’n vijftig jaar geleden, heeft zich een soort oer-tegenstelling aangediend, namelijk de tegenstelling omtrent het al of niet terecht-zijn van verbeelding en expressie. In het Westen is dit al eeuwenlang geen punt van twijfel meer geweest, omdat hier juist het individu, mét zijn allerindividueelste expressie, onze volledige belangstelling verdient. Veel kunstenaars en dichters zijn dan ook diepgaand geschrokken (en vaak teruggeschrokken) toen zij de verregaande implicaties van de oosterse verlichting helemaal tot zich door lieten dringen. Die implicaties luiden: geef je belangstelling voor dit uiten van jezelf op, want het staat je zicht op je eigen ware natuur  in de weg, en je zicht op werkelijkheid en vrijheid.

(2)
Zoals al in de titel aangeduid, zie ik Nisargadatta Maharaj en William Blake als goede voorbeelden van de geschetste tegenstelling. Ik wil ze hier gebruiken als een soort toelichting op het artikel Over belangstelling en het oplossen ervan in zichzelf’. Weliswaar zijn ze allebei extremen, maar misschien lenen ze zich juist daardoor goed om hier naast elkaar geplaatst te worden – daardoor kan duidelijker worden wat de tegenstelling eigenlijk is.
            William Blake zie ik als een genie, een grootheid die zijn eigen weg schiep. Hij leefde van 1757 tot 1827, was dichter, schilder en etser die met recht baanbrekend genoemd mag worden. Ik beschouw hem in zijn beeldend werk als een van de grote voorlopers van de moderne kunst. Hij schiep een zichtbaar universum dat pas een halve eeuw later een klein beetje op zijn plaats viel binnen de kunst. Hij was wat je noemt een ‘uitvinder’.
            Niet voor niets heb ik een uitspraak van hem op dit blog in de rechterkolom staan, die je zou kunnen vertalen als ‘ik moet zelf een samenstel scheppen, want anders raak ik onderworpen aan dat van een ander. Ik ga niet redeneren of vergelijken: mijn zaak is het om te scheppen.’


                            Illustratie bij Dantes Vagevuur, Beatrice richt zich tot Dante, ongeveer 1825
Nisargadatta zou over deze uitspraak misschien wel gezegd hebben dat deze duidelijk van iemand is die dolend is, iemand die dat wat op zich al louter en alleen illusie is, nu zelfs tot een ‘samenstel’ wil maken! Het toppunt!
            Ondanks het feit dat ik innerlijk nog steeds aan de voeten lig van Maharaj, mijn geestelijke grootvader, beaam ik Blakes statement helemaal. Vandaar dat deze hier rechts staat. Al bij de aanvang van het blog heb ik hem er geplaatst, om de tegenstelling te verscherpen.
            Ook ik wil een eigen vorm beitelen, al noem ik dat zelf misschien geen systeem of samenstel. Ik voel de terechtheid van dat beitelen, omdat ik óók de Westerse Verlichting beaam.

(3)
Mijn ‘wortel’-leraar Nisargadatta Maharaj zei herhaaldelijk zoiets als ‘als ik geweten had wat dit is, deze wereld, was ik er niet aan begonnen.’ Met andere woorden, vanuit de waarheid van het Absolute gezien is dit hele aardse gedoe, met die miljoenvoudige belangstelling en persoonlijke uitingen, een hersenschim, een dwaling, en bovendien ‘lijden-bij-uitstek’.
            Het is precies deze visie die ervoor zorgt dat zo veel westerse mensen een echte hekel hebben aan de oosterse benadering. Vaak wordt dit wel vermomd, en verkleind tot het optrekken van een wenkbrauw en verder alles negeren, maar naar mijn gevoel is het echt een hekel. Dit oosterse praten is inderdaad een soort doodsteek. Vandaar dat ik eerder schreef dat dit, deze oosterse non-dualistische ingang, de ware tegenstelling is ten opzichte van het Westen. Hij is alleen voor het gewoon functioneren niet een gevaarlijke tegenstelling, vandaar dat hij zo graag en makkelijk genegeerd wordt.

(4)
Is er een mogelijkheid dat deze tegenstelling wordt opgeheven, of wordt doorzien als een schijnbare tegenstelling? Kunnen deze twee echt samenkomen in de psyche, zonder dat er een conflict-element overblijft?
            Beide voorbeelden zijn wat mij betreft extreem, zoals ik al schreef. Ik voel mezelf als persoon minder extreem. Ik wil graag ‘het geheel’, maar dan zonder de elkaar uitsluitende uitersten aan beide kanten – de boeddhistische term ‘middenweg’ vind ik altijd een mooie aanduiding, die ik ook hier graag hanteer. Voor deze middenweg zou ik willen pleiten.
            Daarmee bedoel ik een weg of levensgang die zich wel helemaal laat beïnvloeden door beide extremen, maar die zelf losstaat van beide, en in deze losheid luistert naar dat wat waar is in de omvattende, niet-uitsluitende zin.


                          Nisargadatta door JanKees Vergouw, 1981
(5)
Nisargadatta Maharaj was een groot Advaita-leraar in Mumbai, levend van 1897 tot 1981. Hij gaf in zijn onderricht een totale nadruk op het feit dat ons hele wereldbeeld is opgebouwd uit concepten, en dat daarin een onmogelijkheid zit om vrijheid als jezelf te verwezenlijken. Hij had eigenlijk hiermee de boeddhistische interpretatie van ‘leegte’ (shunyata) de Advaita binnengebracht, wat ik als een ongelooflijk grote gift beschouw. Hiermee werd het verschil tussen de boeddhistische en de vedantische bevrijdingsweg opgeheven, en is non-dualisme universeel geworden. Nisargadatta is vooral bekend geworden door zijn boek I Am That uit 1973. Daarin maakt hij al duidelijk dat voor hem het aardse bestaan niet dat is waar het om gaat, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn commentaar op een juichende bezoeker die zegt: “De levensdrang is iets geweldigs!” Maharaj houdt het kort: “Nog grootser is het om vrij te zijn van die drang tot leven.”[1]
           
(6)
Enige jaren later, als hij steeds meer gekweld wordt door een slopende ziekte, gaat hij zich steeds radicaler uitdrukken. Als iemand oppert “Heb ik niet heel veel geluk gehad met dat ik geboren ben?”, zegt hij: “Het is de grootste blunder dat de zijns-staat verschijnt, vanuit de Niet-zijns-staat [de staatloze ‘staat’ die aan dit zijn voorafgaat, niet in tijd, maar in werkelijkheidsgehalte].”[2] En op deze manier gaat hij verder, zowel wat betreft het de wereld binnenkomen als het eruit weggaan. Het voelt als verduidelijkend om hier een aantal citaten uit zijn laatste levensjaren onder elkaar te zetten, zodat door de herhaling de impact ervan goed kan overkomen. Allereerst drie omtrent het hier binnenkomen:
            “Stel dat het Absolute ook maar een greintje zicht had op deze ‘ik ben’-heid, zou het dan een baarmoeder willen binnengaan?”
            “Als je geweten zou hebben dat je geboren zou worden, zou je weigeren. Je zou dit voorstel om het voedsel-lichaam binnen te gaan weigeren. ‘Dank u, ik sla deze beurt over, hier heb ik geen zin in’.”
            “Als ik ook maar het minste vermoeden had gehad, zou ik dan in de gevangenis van mijn moeders baarmoeder zijn afgedaald?”[3]
            En dan over het vertrek:
             “De niet-beseffende mens wil zo lang mogelijk leven. Hij zou het moment van sterven zo lang mogelijk willen uitstellen. Maar wat schiet een Jnani [een Mens van Besef] ermee op om zelfs nog één minuut langer op deze wereld te blijven? Het enige dat prettig zou zijn is dat de levensadem rustig zou vertrekken, zonder al te veel gedoe.”
            “De belofte [bij allerlei medische behandelingen] was dat het nog een tijdje goed met me zou gaan. Maar ik ben in dat soort beloften helemaal niet geïnteresseerd. Ik ben gestabiliseerd in het Eeuwige, en ik raak niet gefascineerd door dit soort leven, door deze last. Ik wil hier zo snel mogelijk vanaf – ik ben er niet in geïnteresseerd.”
            “De gebruikelijke benadering van spiritualiteit is het bejubelen van deze beleving, met allerlei grootse termen ervoor, maar voor mij betekent het pijn; ik wil er vanaf.”
            “Mijn ziel staat op het punt dit lichaam te verlaten. Ik ben gelukkig [hij klapt in zijn handen]. Ik ben in een hoerastemming omdat ik op het punt sta om op te stappen.”[4]
            Er zijn nog wel een stuk of wat van deze uitspraken te noemen, maar zo lijkt het me genoeg. De strekking is: deze aardse beleving, ‘ik ben’, is op zich al een blunder. Dus hoezo zou je deze nog verder gaan uitbreiden door middel van ‘expressie’ en ‘belangstelling’?


                                                                                                                                The Dance of Albion, 1794
(7)
Deze afbeelding laat zien hoezeer William Blake de beleving van de aardse aanwezigheid bejubelde (ook al stond onder de latere lijngravure-versie ervan over deze Albion: “... he danc’d the dance of Eternal Death”). Geweldig! De levensdrang is iets geweldigs! Een juichkreet, binnen een alomvattende stilte. Louter Beleving.
            Mijn eigen persoonlijke ingang tot het leven is (net als die van Blake) de ingang van de kunst, het scheppende beginsel. Het uitbreidende, verrijkende – het ‘overbodige’, zo u wilt.
            William Blake is wat dit scheppende beginsel betreft door niemand na hem overtroffen, vermoed ik. Picasso en Dali kwamen wel een heel eind, maar Blake was totaler, juist omdat hij nog onschuldig was, ongespleten, nog niet ‘vernuftig’. Bovendien vind ik hem het beste voorbeeld van de andere pool omdat hij net als Nisargadatta op een bepaalde manier een ‘mysticus’ genoemd kan worden. Beiden keken ‘voorbij de tegenstelling’ (bijvoorbeeld van goed en kwaad), hoe gek het woord ‘tegenstelling’ hier ook moge klinken. Hun zicht als mysticus zet beiden op dezelfde plaats, waardoor de hier aangeduide tegenstelling rondom ‘beleving’ helemaal kan oplichten.

                    Pagina uit The Marriage of Heaven and Hell, o.a. over de Doors of Perception, 1790-93

(8)
De invloed van William Blake als dichter is enorm geweest. Walt Whitman is ondenkbaar zonder hem, en dit geldt net zo voor James Joyce, W.B. Yeats, Dylan Thomas, Jack Kerouac, Allen Ginsberg, Bob Dylan en vele anderen, zoals Da Free John/Adi Da Samraj (zie bijvoorbeeld diens gebruik van Hoofdletters). En ook Jim Morrison – de band The Doors is genoemd naar Blakes bekende uitdrukking ‘the Doors of Perception’ (“If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is: Infinite. For man has closed himself up, till he sees all things thro’ narrow chinks of his cavern”). Deze benoeming was via het boek The Doors of Perception gelopen, een verslag van Aldous Huxley over zijn ervaringen met mescaline, uit 1954. En in recentere jaren is een Blake-uitspraak door een song van Blake-adept Van Morrison (‘Let the Slave’, uit 1985) bekend geworden: “For Every thing that Lives is Holy.”
            Laat ik een klein boeket Blake-uitspraken brengen. Het is misschien even riekend naar tegeltjeswijsheid, maar dat neem ik hier voor lief. Nu geldt een zekere aanscherping. Meer niet. Ik weet van de meeste citaten niet eens de bron, maar ik vermoed dat dat hier niet zo’n bezwaar is. Ook laat ik het Engels staan – dat was zijn eigen taal, zijn medium en zijn schoonheid, en in modern Holland hoeft niet alle Engels meer vertaald te worden.
            “Energy is Eternal Delight”; “Art can never exist without Naked Beauty displayed”; “The Naked Woman’s Body is a portion of Eternity too great for the Eye of Man” – terwijl Blakes vrouw gezegd zou hebben: “Ik geniet heel weinig van het gezelschap van Mr. Blake; hij is altijd in het Paradijs.”

                                                             Eva geeft de vogels namen, 1810
“To the Eyes of the Man of Imagination, Nature is Imagination itself. As a man is, So he Sees. As the Eye is formed, such are its Powers. (...) To Me This World is all One continued Vision of Fancy or Imagination”; 
            “Imagination is Eternity”; 
              “Imagination is My World”;         &:
            “Imagination is the Real and Eternal World of which this vegetable Universe is but a faint shadow.”

                               Bij Paradise Lost van Milton, 1808. Satan grijpt in
             Bij Paradise Lost van Milton, 1808. Satan kijkt toe



















                                                   (9)
Ja, de grootheid die Blake vooral bejubelde is Imagination, Verbeelding.
            Misschien zit in dit woord verbeelding wel de beste ingang om de aangekaarte tegenstelling toe te spitsen. Vanuit Nisargadatta gezien is verbeelding nou juist een van de grootste hindernissen voor bevrijding. Zijn leraar Siddharameshwar, over wie ik onlangs iets schreef, had dit al benadrukt. “Alles raakt vervormd door verbeelding”, en “Roei alle verbeelding uit” (wipe out all imagination)”, zei hij bijvoorbeeld.[5] Nisargadatta bevestigde dit later voor honderd procent.
            Ik beschouw overigens deze visie op bevrijding als volkomen terecht. Bij bevrijding, oftewel Zelf-realisatie, gaat het uiteraard alleen maar om Werkelijkheid. Voor iemands realisatie van vrijheid heeft Werkelijkheid geen enkel ornament of toevoeging nodig, geen verbeelding of verrijking, geen extra, geen kunst of poëzie.
            Daarbij komt dat ik William Blake, ondanks mijn liefde voor hem, niet beschouw als ‘van hetzelfde belang’ of ‘van dezelfde grootte’ als Nisargadatta. Nee. Ik zie het tot Besef komen van de mens als het belangrijkste dat er is, en daarbij zijn aanwijzingen zoals die van Nisargadatta van de allergrootste waarde. Blake gebruik ik hier slechts als toonbeeld en voorbeeld van creativiteit op zich, waarbij het niet meteen aan de orde is of je alle uitingen van creativiteit waardeert – zo ben ik bijvoorbeeld helemaal niet zo’n liefhebber van Blakes mythologische en conceptuele uitgebreidheden. Maar ik heb ook helemaal geen zwak voor Nisargadatta’s extreme afwijzing van onze aanwezigheid hier – ik kan zijn woorden daarover niet als wijs ervaren. Zo zie je dat je aan beide zijden altijd wel te grote extremen zult tegenkomen (waarover Blake zei: “You never know what is enough unless you know what is more than enough”) .


Bij Dantes Hel; De reus Antaeus  zet Dante ergens af, ong. 1825
(10)
De kunstenaar en de uitvinder komen tot hun uitingsvormen dankzij hun totale belangstelling ervoor. Een zo continu mogelijke interesse. Op de vraag aan Mick Jagger waar het succes van de Rolling Stones aan te danken was, zei hij: “We waren er vierentwintig uur van de dag mee bezig.” Een interesse die alle andere achter zich laat.
            Dit is precies dat wat aan de andere kant van de hier genoemde tegenstelling eveneens het geval is. Bevrijding wordt op precies dezelfde manier verwezenlijkt. Uitsluitend door een totale belangstelling voor de Werkelijkheid kun je tot het Besef komen dat jij dat bent, ‘Dat’: Werkelijkheid als zodanig.
            Deze belangstelling die zich door niets anders laat afleiden, is wat mij betreft een absolute voorwaarde voor realisatie. Dit is een van de redenen dat ik dit blog ‘Volle Cirkel’ omschreven heb als ‘Een blog over belangstelling’. Wat mij betreft dient belangstelling allereerst uit te gaan naar bevrijding, naar het doorklieven van alle verslaafdheid aan projectie en verbeelding.
            Dit betekent dat je een gat moet toestaan, een onderbreking van alle belangstelling voor iets anders dan bevrijding. “Je hoeft je denken niet te stoppen. Houd er alleen maar mee op om geïnteresseerd te zijn. Ongeïnteresseerdheid is dat wat bevrijdt”, zei Nisargadatta.[6] En Siddharameshwar had al iets dergelijks geüit: “Wees ongeïnteresseerd in objectiveerbare dingen.”[7]
            Ja, inderdaad. Eerst moet dat helemaal. Eerst moet je je interesse in objectiveerbare zaken volledig opgeven, en zeker nog geen blog gaan beginnen dat gewijd is aan belangstelling. Herhaaldelijk moet het Gat (of ‘God’) helemaal worden toegestaan, de volledige onderbreking van elke reeks. Van elk verhaal of belangstelling, hoe verheven de inhoud van dat verhaal ook moge zijn.

(11)
De hier geschetste tegenstelling betreft dus niet twee gelijkwaardige krachten. De ene pool zit vervat in de andere. Tegenstelling blijkt hier niet een echte tegenstelling te zijn. Zodra tot je doordringt dat de waarheid van de ene zijde veel meer waar is, veel meer werkelijk, dan golft dat wat ‘tegenstelling’ was opeens over in iets dat je een rangorde zou kunnen noemen, een hiërarchie.
            Ik beschouw dit als een ware hiërarchie. Ik noem dit graag ‘Heilige Volgorde’. Het eerste gegeven ervan is nog niet van de persoon, vandaar de term ‘heilig’. Eerst moet de persoon doorzien worden, met al zijn emotionele verkleefdheden en gekleurdheden, en pas daarna geldt het andere, want dan is het creatieve een dienaar geworden.
            Zodra je kunt constateren dat er geen zoekbeweging meer in je opkomt, geen vragen meer over wie of wat je bent, blijkt vrijheid het geval, dus ook vrijheid voor het invullen en versieren van de Werkelijkheid. Werkelijkheid is waar je al uit tapt, dus in die richting hoef je niet meer te gaan. Waar je uit tapt is Niet-iets, waardoor alle ‘iets’en mogelijk worden, onbelemmerd.
            Vervolgens is ook zoiets als een blog als dit, waar de belangstelling alle kanten op mag gaan, een mogelijke broedplaats voor het nieuwe.
            Ik bejubel hier het nieuwe, het oorspronkelijke.

(12)
Nisargadatta Maharaj staat voor datgene wat in ieder mens exact hetzelfde is. William Blake staat voor dat wat in ieder mens volstrekt verschillend is, en wat geheel onverwacht is. Dit laatste is volgens mij van belang, want Blakes invulling van deze zaak is net zo individueel als de mijne, of de jouwe. Onverwacht. Je weet niet wat je volgende uitingsvorm zal zijn. Je weet niet wat er opeens uitgevonden gaat worden.
            Maar dát er uitgevonden wordt, geschapen, zie ik als groots, als verrijkend. Blake is zoals gezegd een symbool daarvan. Een recenter symbool is Steve Jobs. Hij vertegenwoordigt wat ik in een eerder artikel benoemde als ‘het opnieuw leren invullen van het begrip “intelligentie’’’. Bono, zanger van U2 én Blake-adept, zei eens over Steve Jobs: “De mensen die de 21ste eeuw uitvonden, waren wiet rokende, op sandalen lopende hippies aan de Amerikaanse westkust, zoals Steve, omdat zij anders tegen zaken aankeken. De hiërarchische structuren van de Amerikaanse oostkust, Engeland, Duitsland en Japan moedigen dit anders-denken niet aan. De zestiger jaren brachten een anarchistische geesteshouding voort die geweldig is voor het verbeelden van een wereld die nog niet bestaat.”[8]
            Ja, zou Blake zeggen, “What is now proved was once only imagin’d.”[9]

(Appendix)
Franklin Jones, die zich later Da Free John zou noemen (en nog later Adi Da Samraj), beschreef de hier aangekaarte tegenstelling al in zijn Knee of Listening:
            “Creativiteit is het idool van het Westen. Alle activiteiten en kennis van het Westen, zelfs zijn obsessies, zijn een aanbidding van creativiteit, de bron en de kracht van alles wat voortbrengt.
            Niet-creatie is het idool van het Oosten. Alle activiteiten en kennis van het Oosten zijn een aanbidding van niet-creatie, van onze oorspronkelijke natuur.
            De wereld is verdeeld in deze twee revolutionaire vormen. Deze doordrenken alle religie en filosofie, alle economie en politiek en elke vorm van leven, zowel gemeenschappelijk als individueel. Dit is sinds mensenheugenis het geval. (...)
            De toekomst is niet aan het Westen, en niet aan het Oosten. Niet aan de weg van leven, noch de weg van waarheid. De toekomst is aan werkelijkheid op zich, die hetzelfde is voor allen die beseffen, die inzicht hebben. Wat dus nodig is, is radicaal inzicht in elke ervaring en elke waarheid. Wat nodig is, is een nieuwe generatie van waarachtige mensen die werkelijkheid zullen leven, en die zich er nooit van zullen afwenden.”[10]  

(Tribuut)
Mijn liefde voor Blake heb ik vooral te danken aan een te vroeg gestorven boezemvriend, Volkert Reijn (1931-1986), die net als Blake schilder en dichter was. Volkert was in toenemende mate een beminnend ‘kenner’ van Blake, doordrenkt van diens openbaringen en werelden. Over Volkert wil ik hier graag een andere keer schrijven.

(Noten)
1. I Am That, p. 98.
3. Nothing is Everything, p. 32-33.
3. Respectievelijk The Nectar of the Lord’s Feet, p. 91; The Experience of Nothingness, p. 46; Prior to Consciousness, p. 56.
4. Respectievelijk The Ultimate Medicine, p. 128; Prior to Consciousness, p. 14; Prior to Consciousness, p. 37; The Ultimate Medicine, p. 72. Het eerste citaat, over de Jnani, is door Lance Nelson gebruikt in zijn artikel ‘Living Liberation in Sankara and Classical Advaita’ (in Living Liberation in Hindu Thought, geredigeerd door Andrew Fort en Patricia Mumme; SUNY Press, Albany, 1996; p. 62 en 45). Ik vind dit artikel erg goed; Nelson betoogt dat hoewel er in de Advaita wordt gezegd dat het om jivan-mukti gaat, dwz. bevrijding in dit lichamelijke leven, het er toch vaak op neerkomt dat vi-deha-mukti wordt geprefereerd, dwz. bevrijding bij het verlaten van het lichaam (deha).
5. Master of Self-Realization, respectievelijk p. 440 en 495.
6. I Am That, p. 241.
7. Master of Self-Realization, p. 131.
8. Geciteerd in Steve Jobs, de biografie, door Walter Isaacson. Ned. vert. Spectrum, Houten & Antwerpen, 2011, p. 83.  
9. Evenals een paar andere citaten is dit afkomstig uit de Proverbs of Hell, in The Marriage of Heaven and Hell, geschreven en geïllustreerd tussen 1790 en 1793.
10. Op een bepaalde manier zijn Franklin en William als schrijver van een vergelijkbare grootsheid. Dit is uit ‘The Wisdom of Understanding’, in The Knee of Listening, editie van 1973; p. 246-247 (cursivering van mij, PhR).

(Boeken en links over Blake)

Davis, Michael, William Blake – A new kind of man (de ondertitel is door Van Morrison gebruikt voor zijn song “A New Kind of Man”, uit 1984). London: Paul Elek, 1977.
Erdman, David V., Blake: Prophet Against Empire. Princeton, NJ: Princeton University Press, 1954 (en Revised ed. 1969).
Klonsky, Milton, William Blake – The Seer and His Visions. New York: Harmony Books, 1977.
Klonsky, Milton, Blake’s Dante. The Complete Illustrations to the Divine Comedy. London: Sidgwick & Jackson, 1980. 

http://www.blakearchive.org/

zondag 14 mei 2017


                                                                                                                            Philip Renard, 1967
 
Dankzij de zestiger jaren
                             
                    Deel Een

Herhaaldelijk kom je tekstjes tegen over de zestiger jaren (welk fenomeen zich nu 50 jaar geleden heeft afgespeeld). Soms is dat in de jolige sfeer: kralen, ‘hippies’, geinige zonnebrilletjes, love & peace, verkleedpartijen met gordijnkapsel, enzovoort. En soms is dat stoerder, alsof het vooral om barricades ging. Krakers, provo’s – kortom rebellen. Politie was een vijand, of een instantie die je belachelijk moest maken. En het Ban-de-bom-teken overal tussendoor, als een toonbaar baken waar zelfs een burgerjongen niet mee kon uitglijden, in geen enkel gezelschap.

Omdat het begin van mijn volwassen leven synchroon liep met deze jaren, wil ik een paar tekstjes schrijven die eraan gewijd zijn om een andere toon te zetten, een soort ondertoon, en om die voelbaar en hoorbaar te maken. Het is een ondertoon waarover nog steeds voornamelijk gegniffeld wordt, of die gewoon genegeerd wordt, vandaar dat het mij terecht lijkt om eraan bij te dragen dat de belangstelling hiervoor meer en meer in een gewoonheid zal kunnen overgaan. En in een erkentelijkheid.
            Deze ondertoon betreft datgene wat ik waarachtig geestelijk zou willen noemen. Weliswaar zijn hier allerlei clichés uit voortgekomen (zoals een ‘spirituele’ New Age), maar voor mij blijft het waar dat in de zestiger jaren voor het eerst in de geschiedenis van de westerse mensheid het zogenaamde geestelijk leven een realiteit werd, in plaats van een geloof.

De westerse mens had wel eerder een oprechte belangstelling getoond voor een geestelijk leven dat niet meer louter een geloof betrof. Dat was met name gebeurd tussen ongeveer 1880 en 1914 (met ingangen als theosofie en allerlei geestelijk-georiënteerde communes; zie bijvoorbeeld de dagboeken van Frederik van Eeden). Het was vaak indrukwekkend, en toch bleef het geheel in de sfeer van de hoop, en vooral het ideaal.
            In de zestiger jaren werd dit vervangen door een letterlijk ervaren. Meestal gebeurde dit dankzij het innemen van een geest-wijzigende substantie zoals LSD of mescaline. Ook al zijn er mensen[1] die zeggen dat een mystieke ervaring iets anders is dan de ervaring die wordt geboden door het innemen van LSD, ik beschouw het als veel wezenlijker dat LSD de mens toen heeft laten ondervinden wat met het woord Werkelijkheid wordt bedoeld (het hele praten over ‘of het nou echt wel hetzelfde is als dat wat door bijvoorbeeld Johannes van het Kruis werd ervaren’: dat is wat mij betreft iets voor roomse intellectuelen die zelf niet Johannes van het Kruis heten. Louter bijzaak).
            Ook al zijn er eventueel uitwassen aan te wijzen die mogelijk te maken hebben met het toenmalige gebruik van psychedelica, zoals de toename van het gebruik van hard drugs en misschien een vermeerdering van chaos, het blijft voor mij groots dat toen door een psychedelisch middel een Totale Ommekeer is geschonken aan een hele generatie, van San Francisco tot Amsterdam. Westerse Verlichting kwam voor het eerst letterlijk in aanraking met de oosterse.
            Ja, ik durf te spreken van een Totale Ommekeer. Dat durf ik omdat mijn leven parallel liep.
           
Ik beschouw het jaar 1963 als het begin van wat ‘zestiger jaren’ wordt genoemd (in maart het eerste Beatle-album, en in mei het eerste album van Dylan met eigen materiaal, en ook in mei het ontslag van Timothy Leary als professor op Harvard waarna hij voor zijn psychedelisch onderzoek een eigen plek kreeg op Millbrook, NY; en in juni was daar nog het debuut van de Stones, met Chuck Berry’s ‘Come On’ – de muziekvoorbeelden noem ik ook omdat deze personen op een gegeven moment een bijdrage hebben geleverd aan het wereldwijd verspreiden van de  psychedelisch-geestelijke revolutie).
            Precies toen maakte ik een omslag mee. Ook ik begon toen. In het voorjaar van 1963 gebeurden er drie dingen die voor mij als achttienjarige van wezenlijk belang waren: ik raakte voor het eerst stoned (op Congo-weed), ik neukte voor het eerst (voor het eerst een waarachtige samenvloeiing met iemand anders, wat het begin was van een intieme relatie die bijna twee jaar duurde), en ik ging op yoga (wat toen nog een buitenissig iets was, kille avonden in een Amsterdams gymnastieklokaal). Ik was in die tijd steeds dieper overtuigd geraakt van het niet-bestaan van God. Ik was opgevoed in een gereformeerd gezin, en ging al sinds mijn dertiende niet meer naar de kerk, maar pas sinds een jaar durfde ik me atheïst te noemen.
            Twee jaar later nam ik, onder de indruk geraakt door een paar schriftelijke getuigenissen erover, LSD in. Een suikerklontje, dat ik samen met een vriend in de stad had gekocht en meteen erna in mijn mond liet smelten. Dat was op 5 mei 1965. Bevrijdingsdag werd in Nederland toen nog gevierd als echte feestdag; nu is dat nauwelijks meer voor te stellen. Het was als Koninginnedag, in ieder geval net zo rumoerig, en net zo feestelijk bedoeld. Zo werd het afsteken van rotjes vlakbij een ander mens bijvoorbeeld nog als uiting van feestgevoel beschouwd. Voor mij werd het inderdaad Bevrijdingsdag, maar dan in een ander opzicht. De vraag over het al of niet bestaan van God werd lachwekkend. De Helderheid van Licht op zich bleek ál het andere in te sluiten, elk idee, elke emotie. Ik zal over mijn kennismaking met deze Helderheid in een volgende aflevering iets uitvoeriger schrijven.

Nog even terug naar de eerdere opmerking over het ‘voor het eerst tot realiteit worden van geestelijk leven’. Ja, zo noem ik dit, want ik durf te zeggen dat vóór die tijd, vóór ongeveer 1963, alleen uitzonderingen belangstelling hadden voor het zogenaamd geestelijke, en vaak waren dit eigenlijk zonderlingen. Ik kwam die dan wel eens tegen in een obscure tweedehands-boekwinkel in Amsterdam-West. Nooit heb ik van die mensen een uitstraling beleefd van enig zicht op wat ‘werkelijkheid’ is. Dit hele onderwerp werd toen nog in één adem genoemd met het occulte.
            In de zestiger jaren maakte het ontwikkelingsdenken van de Westerse Verlichting (met allerlei uitlopers ervan, zoals uiteraard ook chemisch onderzoek) het mogelijk dat een geestelijke revolutie begon die qua inhoud of boodschap voornamelijk te danken is aan Oosterse Verlichting. De boodschap die bijvoorbeeld gebracht werd in het bekende begeleidingsboek bij het gebruik van LSD, The Psychedelic Experience,[2] was gebaseerd op het Tibetaanse Dodenboek, een tekst die in feite Dzogchen-onderricht is. Dzogchen, de kern van het Tibetaans boeddhisme, werd opeens raadgever voor de westerse mens die met zijn meest intense psychische vervormingen werd geconfronteerd. Want zo mag je het effect van psychedelica wel benoemen. Wat mij betreft gaat het bij het innemen van zo’n middel niet om het zogenaamde trippen, maar juist om te leren om door je trips heen te kijken. Je wordt geconfronteerd met het gegeven dat je in feite continu gewend bent aan je oude trips, je groefachtige geneigdheden, en dat je nu een kans krijgt daar helemaal doorheen te kijken. Dit is wat ik althans van LSD geleerd heb, en waarvoor ik tot op heden heel dankbaar ben.
            Ik voel zelf nooit een terugverlangen naar de zestiger jaren, een nostalgie. Nooit. Waar ik het hier over heb is juist de kennismaking met waarachtige tijdloosheid. De kennismaking daarmee is toen aan een hele generatie geschonken, waardoor velen ervan het begrip ‘intelligentie’ gaandeweg opnieuw hebben leren invullen.

1.  R.C. Zaehner, Mysticism, Sacred and Profane. Londen, 1957. Vertaald als Mystiek. Sacraal en profaan. Een onderzoek betreffende een aantal bovennatuurlijke ervaringen. Amsterdam: De Bezige Bij, Kwintessens-serie, 1969.
2.  Timothy Leary, Ralph Metzner en Richard Alpert, The Psychedelic Experience. New Hyde Park, NY, 1964. Vertaald als De psychedelische ervaring. Een handboek gebaseerd op Het Tibetaanse Dodenboek. Amsterdam: De Bezige Bij, Kwintessens-serie, 1969.